Het eigenaardige van de Nederlandse film

‘Spiegel van Holland’ heet het programma dat het vlaggeschip moet zijn van het komende Nederlands Film Festival in Utrecht. Maar bestaat er wel zoiets als dé Nederlandse film?

Maria Kraakman als Sandra Hunting in het polderdrama Hunting & Zn. Vrijdag is CS: een portret van deze actrice die onlangs de Theo D'or ontving.

Zes Nederlandse films zijn er te zien op het Londen Film Festival in oktober. De communicatieafdeling van het festival vond het vorige week een persbericht waard. Maar van de zes titels blijken er slechts twee ook daadwerkelijk een evidente verbintenis met Nederland te hebben, door de regisseur, het thema of de plaats waar de film zich afspeelt. Dat zijn Hunting & Zn. van regisseur Sander Burger, een film die aan een stille, maar opmerkelijke opmars bezig is langs prestigieuze festivals; en Joy van Mijke de Jong.

Bij de andere vier ‘Nederlandse’ films, zoals My Joy van de Oekraïense filmmaker Sergei Loznitsa, blijft de connectie met Nederland beperkt tot de financiële inbreng, in internationale coproducties, die vooral op het conto staan van het actieve Hubert Bals Fonds van het Rotterdams filmfestival.

Hunting & Zn. is een goede film, maar het zou weleens zo kunnen zijn dat juist de typerend ‘Hollandse’ elementen in de film de doorslag geven bij buitenlandse programmeurs om de film te selecteren. Een film of een filmmaker die voldoet aan vaak tamelijk belegen ideeën over de nationale identiteit van een land geldt eerder als authentiek en dus als interessant. Hunting & Zn. speelt zelfbewust met de clichés die ook in het buitenland van Nederland bestaan, om daar vervolgens een scherpe draai aan te geven. De film gaat over een jong stel met een fietsenwinkel, en wat is er Nederlandser dan fietsen? Hun winkel is gesitueerd aan een dijk in een winderige polder. Tussen de middag eten man en vrouw samen een boterham boven de zaak.

Film als uitdrukking van nationale identiteit heeft het tij mee. Vlaggeschip van de 30ste editie van het Nederlands Film Festival, dat volgende week in Utrecht begint, is het programma Spiegel van Holland. Een reeks debatten en 15 films moeten duidelijk maken hoezeer de filmkunst en de Nederlandse identiteit met elkaar zijn verweven. Te zien zijn onder meer 06/05 van Theo van Gogh, over de moord op Pim Fortuyn, de euthanasiekomedie Simon van Eddy Terstal en de provinciale verveling in Wilde mossels van Erik de Bruyn.

De nieuwe festivaldirecteur Willemien van Aalst onderstreepte bij de presentatie dat Spiegel van Holland nadrukkelijk is bedoeld als bijdrage aan het debat over de kunsten, dat is uitgelokt door de mogelijke megabezuinigingen van het rechtse kabinet in aanbouw. Kunst en in het bijzonder film zijn geen speeltje van de progressieve elite, zoals populisten beweren, maar zijn juist diep geworteld in de Nederlandse samenleving, wil het festival laten zien.

Het programma is vernoemd naar een korte film van Bert Haanstra, die meandert langs typsich Hollandse taferelen, van de molens tot de grachtengordel. Maar de metafoor van de spiegel is ook misleidend, want film is nooit een simpele reflectie van de samenleving. Haanstra’s film laat dat zien, want de regisseur toont zijn Hollandse taferelen in de reflectie van water (altijd het eeuwige water), waardoor rimpelingen in het beeld en steeds vreemdere effecten ontstaan. Filmmakers weerspiegelen de Hollandse identiteit niet alleen, ze maken die ook, met al hun persoonlijke eigenaardigheden.

Terug naar het knusse Holland van Haanstra zal niet gaan. In de filmwetenschap is de trend zelfs omgekeerd en groeit het besef dat aan het idee van ‘nationale cinema’ de nodige bezwaren kleven. De talloze internationale coproducties zijn daar al een indicatie van. Veel actueel onderzoek in de filmwetenschap vindt plaats rond begrippen als ‘transnational cinema’ of ‘global cinema’.

In een wereld die in het teken staat van globalisering, zo luidt het uitgangspunt, verliest de tegenstelling tussen ‘nationaal’ en ‘internationaal’ betekenis. Binnen- en buiteland zijn niet meer helder te scheiden. Jonge Nederlandse filmmakers zoals David Verbeek en Martijn Maria Smits vlogen voor respectievelijk R U There en C’est déjà l’été uit naar Taiwan en Wallonië. Hun cinema valt wellicht het beste te karakteriseren als ‘postnationaal’ of ‘geglobaliseerd’.

Toch doen bij film nog steeds allerlei nationale stereotypen de ronde, veel meer dan in andere kunsten. Spanje? Dat moet barok, uitbundig en katholiek zijn. Scandinavische film? Dat is pijnlijk psychologisch zelfonderzoek of absurdistische humor. Italië? Opera vermomd als film. Een filmmaker die daar niet aan voldoet, zal veel moeilijker publiek weten te vinden. En dat lijkt voorlopig alleen maar lastiger te gaan worden, zeker in Nederland.