Gluren tussen de gordijnen van de chambrette op Rolduc

Oud-bisschop Gijsen wordt beschuldigd van seksueel misbruik. Een voormalige leerling van het kleinseminarie Rolduc noemt hem een gluurder.

Zijn afscheid kwam voor iedereen als een verrassing. In januari 1993 vertrok de bisschop van Roermond naar een nonnenklooster in Oostenrijk. Even daarvoor had Jo Gijsen zijn ontslagbrief naar paus Johannes Paulus II gestuurd.

„Ziekte en uitputtingsverschijnselen maakten het hem onmogelijk in functie te blijven”, was de verklaring van het bisdom. Gijsen was jarenlang de meest omstreden bisschop van Nederland wegens zijn orthodoxe beleid.

Vóórdat hij zijn ontslagbrief schreef, had Gijsen problemen gehad op zijn bisschoppelijke priesteropleiding in Rolduc, bij Kerkrade. De conrector van het seminarie had seks met studenten. Gijsen wist ervan, maar trad niet daadkrachtig op. Dat was opmerkelijk omdat juist Gijsen geruchtmakende uitspraken deed over homoseksualiteit. Dat was volgens hem tegennatuurlijk en onder alle omstandigheden af te wijzen.

Na een verblijf in het Oostenrijkse klooster ging Gijsen in 1996 naar IJsland. Daar werd hij bisschop van 7.500 rooms-katholieken. In 2007 kwam hij terug. De oud-bisschop nam zijn intrek in het klooster van de karmelietessen van het Goddelijke Hart van Jezus in Sittard. Daar arriveerde in mei dit jaar een brief van het katholieke klachtenbureau Hulp en Recht.

In de brief werd Gijsen door een oud-leerling van Rolduc aangeklaagd wegens seksueel misbruik. De feiten zouden hebben gespeeld in de periode 1959-1961. Gijsen stond toen aan het begin van zijn kerkelijke carrière. Hij was behalve godsdienstleraar ook surveillant op het internaat van Rolduc. De klacht van de oud-leerling was tevens gericht tegen een collega van Gijsen, ook een priester die les gaf op Rolduc.

De klager was als jongen in 1959 naar Klein-Rolduc gegaan, de eerste klas van het kleinseminarie, de voorbereiding op de priesteropleiding. De hogere klassen van het kleinseminarie werden Groot-Rolduc genoemd.

In het schooljaar 1960-1961, toen de jongen op Groot-Rolduc verbleef, werd hij drie keer seksueel misbruikt door de collega van Gijsen, schrijft hij in het klaagschrift. Dat gebeurde op de kamer van de priester, aan het einde van de herengang. Het klaagschrift: „Klager walgt letterlijk van het steeds bij hem terugkomende beeld van de omhooggetrokken zwarte toga van deze aangeklaagde en de geur die hem daarbij tegemoet kwam. Klager werd niet alleen zelf betast maar moest ook de docent bevredigen.”

In zijn eerste schooljaar op het kleinseminarie, Klein-Rolduc, had de leerling al een ‘relatie’ met Gijsen gehad. zegt hij. Als de puber zich ’s avonds op de slaapzaal in zijn chambrette aftrok, was Gijsen erbij, tussen de gordijnen van zijn chambrette. Het klaagschrift: „Klager is gedurende het eerste jaar op Rolduc veelvuldig geobserveerd door aangeklaagde Gijsen, die destijds ook als surveillant fungeerde op de slaapzaal. Klager ontdekte in die periode zijn eigen lichaam en seksualiteit en masturbeerde wel eens terwijl hij in bed lag.”

Gijsen was volgens de oud-leerling een gluurder, maar hij verborg zich niet voor de jongen. Het klaagschrift: „Klager heeft zich aldus letterlijk een lustobject gevoeld voor aangeklaagde Gijsen. Klager voelde en voelt zich letterlijk ge- en misbruikt. Klager geeft aan dat hij walgt als hij denkt aan de gelaatsuitdrukking van aangeklaagde Gijsen terwijl deze klager begluurde tussen het gordijn van zijn chambrette. Voor klager voelt het alsof aangeklaagde Gijsen hem ‘in zijn macht had’.”

Het gluren van Gijsen is seksueel misbruik zoals omschreven in de klachtprocedure van Hulp en Recht, vindt de advocaat van de klager. Het past binnen het „onder dwang of in een afhankelijkheidsrelatie uitvoeren of ondergaan van seksuele handelingen, waardoor de geestelijke en/of lichamelijke integriteit is geschonden”.

De leerling nam vlak voor de paasvakantie in 1961 de zuster van de ziekenboeg in vertrouwen. Een week later kreeg hij te horen dat hij van Rolduc af moest, tot grote schande voor zijn ouders.

De herinnering aan Rolduc emotioneerde de klager ook na vijftig jaar nog steeds. Hij liep jarenlang rond met een schuldgevoel. Hij is nog onder behandeling van een psycholoog. De man is niet uit op een schadevergoeding, maar wil erkenning dat wat er gebeurd is op Rolduc ‘fout’ was, en hij wil excuses.

Gijsen is niet van plan om excuses aan te bieden. In zijn verweerschrift aan Hulp en Recht schrijft hij dat, als het al waar was, de klager zich in de persoon vergist. Gijsen (78), tegenover deze krant: „Ik kan dat niet geweest zijn. De klager kwam in 1959 naar Klein-Rolduc. Ik was dat jaar op Groot-Rolduc. Pas in 1960 ben ik plaatsvervangend prefect geworden op Klein-Rolduc. Hij vergist zich waarschijnlijk in het gezicht, als hij al werkelijk iets gezien heeft. Ik kan me niet voorstellen dat het gebeurd is.”

Volgens de klager werd Gijsen inderdaad in 1960 plaatsvervangend prefect op Klein-Rolduc, maar was hij een jaar eerder ook al aanwezig. Een tweede oud-leerling bevestigde tegenover Hulp en Recht dat Gijsen inderdaad een jaar eerder al surveilleerde op Klein-Rolduc. De klachtprocedure loopt nog.

Bij NRC Handelsblad kwam eveneens een melding over Gijsen binnen, van een andere oud-leerling van Rolduc. Deze oud-leerling, die zich niet gemeld heeft bij Hulp en Recht, herinnerde zich hoe Gijsen als surveillant in chambrettes bij leerlingen in bed kroop. Deze oud-leerling was van 1952 tot 1955 op Rolduc. Gijsen deed als priesterstudent van 1951 tot 1953 zijn studie filosofie in Rolduc. In die tijd was het gebruikelijk dat de ‘filosofen’ hielpen met het surveilleren bij de leerlingen van het kleinseminarie. Gijsen: „De filosofen hadden een zekere mate van toezicht, maar in feite stelde dat niet veel voor. Van het in bed kruipen bij leerlingen weet ik niets.”

Achtergronden op nrc.nl/misbruik-kerk Reacties: misbruik@nrc.nl