Een scheutje Mao-leed of kinderarbeid

Literaire globalisering leidt niet tot gevarieerde stemmen, maar tot eenheidsworst.

We willen alleen vanuit westers perspectief over andere culturen lezen.

Waarom wordt de komst van een nieuwe Jonathan Franzen toch zo bejubeld, buitelt iedereen over elkaar heen in enthousiasme en werd het gevecht om superlatieven gewonnen door een columnist in The Guardian die Franzens roman Freedom omschreef als de ‘roman van de eeuw’? Deze vragen stelde schrijfster Jodi Picoult onlangs in The New York Times. Gelukkig liet ze het niet alleen bij vragen, maar kwam ze ook met een antwoord: de omarming van Franzen door de media is te danken aan het feit dat hij een blanke Amerikaanse mannelijke auteur van middelbare leeftijd is. Nu is Picoult een bestsellerauteur die met haar romans over ‘familie, relaties en liefde’ niet helemaal serieus wordt genomen door de literaire kritiek, maar toch heeft ze een punt. Wie bijvoorbeeld kijkt naar wat er komend najaar in Nederland verschijnt aan vertaalde literatuur, ziet dat de Angelsaksische literatuur nog steeds het monopolie op Nederlandse redactionele aandacht lijkt te hebben.

Enerzijds is dat begrijpelijk: het wereldbeeld in die romans herkennen we het beste. Maar anderzijds: iedereen heeft de mond vol van globalisering, ook over globalisering in de literatuur. Romans lezen zou de beste manier zijn om je te verdiepen in een andere wereld. Maar waar blijft die dan? Waarom is het voor een Nederlandse lezer zo lastig om een Hindi-bestseller in vertaling te lezen?

De reden daarvoor ligt niet alleen bij luiheid van de uitgevers die wel dagelijks mailen met Britse en Amerikaanse agenten, maar niet met Chinezen of Indiërs. Maar een beetje schuld dragen ze natuurlijk wel: door hun beperkte visie wordt de lezer kennis van andere culturen onthouden. Je maakt mij niet wijs dat er geen auteurs in China of India wonen die de moeite van het lezen waard zijn. Belangrijker is echter de mentaliteit van de lezers zelf. Natuurlijk willen die lezen over Afghanistan en soms ook wel een beetje over China en India, maar in die gevallen moeten het wel romans zijn over de eenkindpolitiek en Mao-leed of over tragische uithuwelijkingen en kinderarbeid gaan, kortom: boeken met een westerse moraal.

Een mooie illustratie daarvan is de rechtszaak die deze zomer plaatsvond rondom de Noorse schrijfster Asne Seierstad. Zij heeft sinds 2003 wereldwijd succes met haar roman De boekhandelaar van Kaboel. De Afghaanse familie echter vond dat ze onheus werd geportretteerd en klaagde haar aan. Geheel tegen de verwachtingen in kreeg Seierstad ongelijk en werden zij en haar uitgever veroordeeld tot het betalen van een boete van 62.000 euro. ‘Ik word gestraft voor de literaire vorm’, klaagde Seierstad na afloop. Maar dat is kul.

In haar voorwoord schrijft ze immers dat ze voor een literaire vorm heeft gekozen, maar dat het hier wel degelijk gaat om een authentiek relaas. Dat de familie zich tekortgedaan voelt, wordt dan wel begrijpelijker. De argumenten die de boekhandelaar zelf aanvoert zijn echter zwak: hij is geen tiran zoals Seierstad hem omschrijft en zijn cultuur zou zwartgallig afgebeeld worden. Terwijl dat laatste nogal logisch is: Seierstad is een westerling en wij zijn nu eenmaal niet erg positief over hoe het eraan toegaat in Afghanistan. En bovendien: het is literair verantwoord om een zwart beeld te schetsen. De boekhandelaar zelf had andere argumenten moeten gebruiken om zijn gelijk te halen, waarbij zijn slotsom had moeten zijn dat Seierstad niet zozeer een boete moest betalen, als wel herstelbetalingen wegens gebruik van zijn cultuur voor eigen doeleinden.

Seierstad heeft immers maandenlang gebruik gemaakt van de gastvrijheid van de familie om kennis te nemen van het gewone leven in Afghanistan en dat heeft ze omgezet in een eindproduct (het boek), waar ze haar eigen waarden op loslaat. Een gewoonte die we in het westen al eeuwen kennen, en ook wel bekend is onder de term kolonialisme. Seierstad doet in wezen aan literair neokolonialisme, en dat ze daarvoor moet betalen is anno 2010 niet meer dan terecht.

Wat Seierstad doet, authenticiteit verlenen aan een verhaal dat niet het hare is, past echter in een vorm van literatuur bedrijven die steeds populairder wordt. Er zijn alleen verschillende manieren om dat te bereiken. De oorsprong van de traditie ligt in het romantische reisverhaal of in nog vroegere reisbrieven. Aan de hand van ervaringen die een westerling opschreef uit een ander land konden we kennisnemen van een andere wereld. Het ging daarbij niet zozeer om begrip van die wereld, als wel om begrip voor de brievenschrijver. Het is een manier die ook in hedendaagse romans met succes wordt gebruikt: Paul Theroux doet dat bijvoorbeeld in zijn werk op een geslaagde manier. En om dichter bij huis te blijven: in Nederland was Henk van Woerden daar erg goed in. In bijvoorbeeld Een mond vol glas wil hij net als Seierstad het leven van iemand uit een andere cultuur in kaart brengen. In zijn roman gaat het om Demitrios Tsafendas, de moordenaar op de Zuid-Afrikaanse apartheidsarchitect Hendrik Verwoerd. Waarom is het beeld op deze moordenaar altijd geweest dat we met een gek van doen hebben en niet met een politiek gemotiveerd iemand, vraagt Van Woerden zich af. Hij zoekt, spreekt en leeft in Zuid-Afrika om tot een verhaal te komen. Anders dan Seierstad wordt uit zijn roman echter duidelijk dat er wel naar authenticiteit wordt gestreefd, een biografische schets van Tsafendas, maar dat het gegeven portret evenveel zegt over de schrijver zelf. Van Woerdens zoektocht speelt dan ook in het boek een belangrijke rol. Je kan je iemand anders zijn leven toe-eigenen, maar doe dat niet door authenticiteit te claimen door je eigen visie als waarheid te presenteren. En dat is nu precies wat er in het boek van Seierstad gebeurt.

Maar Seierstads methode is tevens de reden dat veel mensen het verhaal wilden lezen. De hang naar authenticiteit is de voorwaarde om een boek verantwoord en goed te vinden. De ene keer doet de auteur er zelf een beroep op, andere keren wordt authenticiteit de auteur opgelegd. Dat overkwam, zonder tegen te stribbelen, Khaled Hosseini met zijn romans De vliegeraar en Duizend schitterende zonnen. Het beeld op Afghanistan werd door lezers als correct beeld gezien: wie Afghanistan echt wil kennen, leest Hosseini.

En hier zit het probleem van wat er momenteel aan de hand is en waarom het literatuuraanbod in Nederland in wezen zo beperkt is. Literaire globalisering leidt niet tot een veelvoud aan stemmen, maar tot eenheidsworst. Zolang we andere culturen gepresenteerd krijgen via een westerse stem, is niet van verdieping sprake, maar juist van buitenkant. Wie over de eigen cultuur schrijft, graaft dieper dan wie die cultuur net leert kennen en probeert te introduceren voor het eigen publiek. Het verschil tussen een cursus voor beginners of voor gevorderden.

De Indiase schrijver Pankaj Mishra noemde het resultaat hiervan ooit ‘McLiterature’. We willen niet daadwerkelijk lezen over een andere cultuur: we willen vanuit westers perspectief een andere cultuur voorgeschoteld krijgen. Die beperktheid is lezers en uitgevers gelijkelijk kwalijk te nemen. Het is dan ook niet onredelijk wanneer schrijvers als Seierstad nog flink wat boetes gaan betalen. Boetes voor misbruik van andere culturen voor eigen gewin.

Toef Jaeger is medewerker van nrc.next en NRC Handelsblad. Ze is samensteller van diverse essaybundels over literatuur en wetenschap.

De échte boekhandelaar van Kabul, Shah Muhammad Rais, verkoopt op shahmbookco.com Engelstalige boeken over Afghanistan.