Dus Jack houdt mij voor de gek

Moet een acteur een rol spelen of die belichamen?

De Franse filosoof Merleau-Ponty vindt dat kunst op zichzelf moet staan.

De laatste keer dat ik kippenvel kreeg in het theater, was tijdens Koning Lear van het Ro Theater. Ventilatoren waren van achteren gericht op een groot paars doek, dat opbolde en langzaam gehesen werd. Daarachter was een enorme trap, die tot de nok van de Rabozaal van de Stadsschouwburg Amsterdam reikte. Alize van Zandwijk (de regisseur van Koning Lear en artistiek leider van het Ro Theater) maakt groots dramatisch theater. Mijn buren vonden het maar niks: ze zagen toch heus wel dat het nep was.

Dat bracht mij op de volgende vraag: wat was het hier dat mij kippenvel bezorgde? Was dat het karakter? Een oude koning met drie dochters van wie hij er één verbant – en vervolgens wordt hij door de andere twee verbannen. Voor mij is dat nogal de ver-van-mijn-bed-show. Is het dat ik zo goed voor de gek gehouden word, dat ik het niet door heb? Ook dat kan het niet zijn, want Van Zandwijk zet alles dik aan. En ook Shakespeare weet elke illusie van realiteit uit te bannen.

Wanneer heb jij iemand voor het laatst dit aan de koffietafel horen zeggen:

Brul, loei je darmen uit! Spuw, vuur!

Guts, regen!

Regen, wind, donder, vuur,

jullie zijn mijn dochters niet.

Nee, elementen, jullie zijn niet ondankbaar, ik heb jullie nooit een koninkrijk gegeven, jullie nooit mijn kinderen genoemd, jullie moeten niet gehoorzaam zijn, dus vier het bot, jullie gruwelijk genot.

(Uit: Koning Lear (vert. Hugo Claus), derde bedrijf, scène 2. Bewerking van het Ro Theater 2007).

En denk maar niet dat mensen zo praatten in „vroegere tijden ende dagen”. Shakespeare maakte alles mooier en poëtischer. Hij schreef voor theater, en niet voor de krant. Blijkbaar kreeg ik kippenvel omdat het nep is.

Om dat uit te leggen, moeten we eerst een definitie hebben van theater. Theater is een abstract begrip en laat zich niet gemakkelijk definiëren. De meest gangbare definitie is: A belichaamt B terwijl C toekijkt. Dus Jack (A) belichaamt Koning Lear (B) terwijl Tjeerd (C) toekijkt. Een iets oudere theorie is: A speelt B terwijl C toekijkt. Het verschil lijkt kunstzinnig kommaneuken, maar is er wel degelijk.

De nieuwe theorie van het belichamen stamt uit eind jaren zestig. Theoretici hadden er behoefte aan om van een toneelstuk van bijvoorbeeld Het Werkteater of van Toneelgroep Baal te zeggen: ze spelen niet maar ze belichamen. Het is het verschil tussen: alle zwanen zijn wit en alle zwanen zijn wit of zwart. Het maakt de witte zwanen niet minder, maar betrekt de zwarte zwanen ook in het spel. Het is een verbreding van het begrip. Immers, tegenwoordig zijn er acteurs van wie we niet weten of ze spelen, of dat ze gewoon zijn.

Voor mij klinkt het spelen van Jack ook alsof Tjeerd van die situatie op de hoogte is. Bij belichamen is dat maar de vraag. Een voorbeeld: ik kan mij in de IKEA voordoen als een medewerker, mij zo kleden, mensen helpen, maar ik ben het niet. De vraag is of je dan theater hebt, of een kwajongensstreek. De nieuwe (jaren zestig) definitie zegt dat het theater is. Dat roept allemaal machtig interessante vragen op, zoals: is Sinterklaas theater, als de kinderen niet weten dat Sinterklaas ook maar gewoon een ouwe vent is die zijn uren draait?

Voor we ons helemaal verliezen in theaterwetenschappelijke dilemma’s, gaan we terug naar waarom die definitie zo belangrijk is: het laat meteen de kracht van het theater zien. Wat ‘A speelt B terwijl C toekijkt’ eigenlijk zegt is: Jack houdt mij voor de gek, terwijl ik dat weet. Ik heb immers mijn studiefinanciering bij elkaar geschraapt en een kaartje gekocht voor het Ro Theater. Ik wil voor de gek gehouden worden, anders had ik wel het nieuws aangezet. Met het gegeven dat ik voor de gek gehouden wil worden, mag je eigenlijk maar één ding doen: het gebruiken. Dat wil zeggen, in plaats van een wereld te schetsen die bestaat, kun je met de werkelijkheid aan de haal gaan.

De Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty (1908-1961) heeft een aantal lezingen gegeven met als thema De wereld waarnemen. Eén van die lezingen heeft hij geheel gewijd aan kunst (in de brede zin van het woord, dus beeldende kunst, podiumkunst, muziek, etcetera). Zijn stelling is dat kunst zichzelf moet presenteren en niet iets mag representeren. Kunst moet op zichzelf staan.

Bij muziek is dat erg gemakkelijk: een pianoconcert is een pianoconcert. Het kan geïnspireerd zijn op een boom, maar die boom zie je nergens meer terug. Bij de schilderkunst zijn Picasso en Karel Appel goede voorbeelden: zij schilderen iets, maar het resultaat lijkt niet op het object in de echte wereld. Ze laten zien dat ze schilderen: ze benadrukken het platte van het doek, de begrenzing van de lijn en de kleur van de verf. Met die dingen maken ze iets.

Als je Merleau-Ponty toepast op het ABC’tje, krijg je iets soortgelijks: iedereen weet dat het nep is, dat het van tevoren is ingestudeerd – laten we daar gebruik van maken. Het theater is de enige plek waar iemand zomaar een lied kan zingen, waar mensen op rijm en ritme spreken, waar mensen kunnen vliegen, waar Amerika drie passen verderop is, waar tranen gemaakt kunnen zijn van tissues.

In plaats van gewone alledaagse zinnen, gebruiken we mooie teksten zoals Shakespeare ze schrijft. In plaats van het huispak, zorgen we ervoor dat er mooie kleren zijn, die bij een rol passen en die ook weer bij de andere kleren passen. In plaats van het alledaagse, matige licht zetten we er grote lampen op, waarmee je dingen extra kunt uitlichten, of het licht kunt kleuren. In plaats van een huis als decor, doen we iets met steigers. In plaats van dat we mompelen, laten we elk woord stralen, want dat hebben we kunnen repeteren. We laten zien dat we in het theater zijn, we laten het voelen. Dat is kunst, volgens Merleau-Ponty. En dat is waarom Koning Lear mij kippenvel bezorgde.

Tjeerd Posthuma (19) is tweedejaars student theaterwetenschap en hoofdredacteur van Functioneelnaakt.com.