China begint wrevel te wekken

De Chinese regering is niet protectionistisch: zij zal ieder product kopen, als het maar in China is gemaakt. Dit was de boodschap die premier Wen Jiabao meegaf aan conferentiegangers op 13 september. Het idee is verzoeningsgericht – China zal binnenlandse bedrijven met buitenlands kapitaal en volledig Chinese bedrijven gelijkelijk behandelen. Maar de handelspartners zouden dit wel eens kunnen interpreteren als een lange-termijnverplichting aan een ongelijk speelveld.

Buitenlandse leveranciers klagen al langer over China’s ‘inheemse innovatie’-beleid, dat in 2009 werd bekendgemaakt, en dat regeringsinstanties aanmoedigt in China vervaardigde producten te kopen. Het betreft hierbij naar schatting voor 100 miljard dollar aan jaarlijkse uitgaven. Officiële oproepen om ‘Chinese waar’ te kopen doen al bijna tien jaar de ronde. Toen het alleen nog maar om goedkope producten ging, wilden de buitenlanders zich niet laten kennen. Maar nu het ook om hogesnelheidstreinen en groene technologie gaat, is het een ander verhaal.

De uitspraken van Wen weerspiegelen recente opmerkingen van Xi Jinping, de man van wie alom wordt verwacht dat hij de volgende president van China zal worden. En ze trekken nóg meer de aandacht doordat China in oktober zijn twaalfde vijfjarenplan voor de economie zal onthullen. Wat degenen die aan de top staan nu zeggen, zal zeer waarschijnlijk overheidsbeleid worden.

Vanuit Chinees perspectief gezien is het verstandig te eisen dat producten in de Volksrepubliek zelf worden vervaardigd. Peking wil werkgelegenheid scheppen en wetenschappelijke vooruitgang bevorderen. Het kopen van buitenlandse onderdelen voor hightech-treinen helpt dan niet. Maar als een buitenlandse producent een fabriek in China opent, worden beide doeleinden verwezenlijkt. Buitenlandse leveranciers, die zich zorgen maken over hun intellectueel eigendom, zijn het hier niet altijd mee eens.

Het is ook verstandig de buitenlandse investeringen een zetje in de rug te geven. Buitenlands geld heeft bijgedragen aan de schepping van een industriële sector die 600 miljoen mensen uit de armoede heeft helpen trekken. Maar nóg meer schoenen- en speelgoedfabrieken is het laatste dat China nu nodig heeft. De buitenlandse investeringen kunnen dit jaar voor het eerst de 100 miljard dollar passeren, maar een te klein deel ervan gaat naar activiteiten met een toegevoegde waarde. Als overheidsinstellingen een voorkeursbeleid bij aankopen gaan volgen, kan dat een aansporing zijn om meer in die richting te investeren.

Hoewel deze logica aantrekkelijk klinkt, kan zij ook averechts uitpakken. De handelspartners van China zijn namelijk niet bepaald blij. In de Verenigde Staten, de grootste handelspartner, gonst het van de populistische voornemens om een importtarief te heffen op Chinese producten. Minister van Financiën Tim Geithner gaat deze week praten met Amerikaanse Congresleden, in de hoop hun woede te kunnen sussen over het vermeende vals spel van China. Drie maanden van handelsoverschotten van meer dan 20 miljard dollar en een nieuwe uiting van toewijding aan het ‘Koop Chinees’-sentiment zullen zijn kansen niet doen stijgen.

John Foley

Vertaling Menno Grootveld

Voor meer commentaar uit Londen:www.breakingviews.com