Chabrol

Als je een kunstenaar in zijn bloeitijd op de voet hebt kunnen volgen, zul je altijd een zwak voor hem blijven houden. Ik had als filmliefhebber zo’n band met Claude Chabrol, de zondag overleden Franse filmregisseur. Al moet ik er meteen aan toevoegen dat mijn band met actrice Stéphane Audran, de vrouw met de amandelvormige ogen, nóg sterker was. Chabrol liet haar tot mijn vreugde vaak in zijn films meespelen toen hij nog met haar getrouwd was.

Zijn beste films, schreef André Waardenburg terecht in deze krant, maakte Chabrol omstreeks 1970. Enkele titels: Les Biches, La femme infidèle, Que la bête meure, Le boucher, Juste avant la nuit. Die films maakten destijds zoveel indruk op mij dat ik ze nog altijd associeer met de stad Groningen, waar ik ze zag omdat ik er toen woonde.

La femme infidèle en Que la bête meure bracht de productieve Chabrol zelfs in één jaar (1969) uit. Na zijn overlijden vroeg ik me af of ik deze films nog zo hoog zou kunnen waarderen als toen.

Dat kan erg tegenvallen, zoals filmkijkers en boekenlezers uit eigen ervaring zullen weten. Het gevaar bestaat dat je in een draak belandt die alle perken van de goede smaak kapot trapt. Nog wel eens Ben Hur of De tien geboden gezien?

Toch trok ik de stoute filmschoenen aan en meldde me bij de zogeheten Cult Videotheek aan de Amstel. Daar hadden ze een heel rijtje Chabrols staan.

Dat viel me mee omdat Chabrol niet de reputatie heeft van tijdgenoten als Godard, Rohmer en Truffaut. Chabrol mikte op een breder publiek, wat hem in de ogen van sommige critici altijd een tikje suspect heeft gemaakt.

Ik koos Que la bête meure, die ik me als een buitengewoon spannende film herinnerde. Een man wil wraak nemen op de automobilist die zijn zoontje doodreed en vervolgens doorreed. Hij dringt binnen in de familie van de dader om zijn moord beter te kunnen voorbereiden.

Wat ik vreesde, werd bewaarheid: het beest bracht me veertig jaar later niet meer van mijn apropos.

Een nogal stijf gespeelde film over een man die te beestachtig is om als mens te kunnen overtuigen. Een zesje, meer niet.

Moest ik zó afscheid nemen van Chabrol? Dat zou wel heel treurig zijn. Ik besloot hem een tweede kans te geven en huurde ook La femme infidèle bij mijn videotheek. Mét Stéphane Audran in haar beste jaren – als dat niet hielp…

Gelukkig, het bleek nog steeds een perfecte film, zo’n film waarin de leerling (Chabrol) zijn meester (Hitchcock) overtreft. Audran speelt subliem de rijke echtgenote die vreemdgaat. Haar man ontdekt het en besluit zijn concurrent met een ironisch bezoekje te vereren. Hij maakt hem wijs dat zij een open huwelijk hebben en dat hij gewoon eens een praatje wil maken met de man die zijn vrouw zo goed kan verwennen. De minnaar is opgelucht en praat honderduit.

„Hoe amusant”, zegt de bedrogen echtgenoot.

„Ja, die dingen gebeuren elke dag”, zegt de minnaar.

„U bent voldaan?”

„Geen problemen.”

Enkele minuten later pakt de echtgenoot een beeldje op en slaat de ander morsdood.

En toen waren er véél problemen. Onder het beschavingslaagje van de Franse bourgeoisie broeit veel frustratie en agressie, wilde Chabrol met zijn films zeggen. Geen nieuwe boodschap, maar soms wel adembenemend verpakt.