Vis zweeft veel beter dan eend

Het zweefvermogen van vliegende vissen is superieur aan dat van stormvogeltjes en sommige eenden. Het lichaam en de enorme vleugelvormige vinnen van de vissen zijn zo gebouwd dat ze vlak over het water optimaal kunnen zweven. Vliegende vissen schieten uit het water omhoog en kunnen dan afstanden tot maar liefst 400 meter boven water afleggen, al moeten ze dan wel af en toe extra vaart maken met de punt van hun staart in het water. Ze halen snelheden tot 70 kilometer per uur.

De Zuid-Koreaanse ingenieur Haecheon Choi (universiteit van Seoul) is er als eerste in geslaagd in een windtunnel metingen uit te voeren aan de aerodynamica van (dode) vliegende vissen. Hij ving de vissen (Cypselurus hiraii) in de Zee van Japan, doodde ze en zette ze op, met de enorme driehoekige borstvinnen en kleinere staartvinnen in verschillende posities. Choi bevestigde krachtmeters aan de beestjes en plaatste ze onder verschillende hoeken in een windtunnel. Rook, over de vissen geblazen, maakte de wervels rond hun vinnen zichtbaar.

De krachtmetingen toonden aan dat de vliegende vis horizontaal zwevend meer dan vier meter vooruit komt voor elke meter die hij daalt. Verdienstelijke zwevers als de stormvogel en de Carolina eend halen die afstand niet. (Specialisten als de zwarte gier weer wel – die komen maar liefst 17 meter ver voor elke meter hoogte die ze verliezen.)

Choi ontdekte dat het zweefvermogen van de vliegende vissen het best was als hij de windtunnel deels vulde met water, zodat hij een situatie kon simuleren waarbij de opgezette beesten vlak over het water scheerden. Het lijkt erop dat het water onder de vis helpt om aerodynamica verstorende wervelingen achter de vinnen snel te laten afbreken. Choi denkt dat vliegende vissen een inspiratiebron kunnen zijn voor het ontwerp van laagvliegende (robot)vliegtuigjes.