Veertien jaar oud, gerafeld en vierdehands

Ik heb altijd mensen benijd die een hechte band hebben met de inhoud van hun kledingkast. Deze mensen weten precies wat hen goed staat en kiezen louter voor kwaliteit. Het zijn mensen die zeggen: „Dit jasje kostte dan wel 875 euro, maar ik zag meteen dat het leer elk jaar mooier zou worden.” Zelf ben

Ik heb altijd mensen benijd die een hechte band hebben met de inhoud van hun kledingkast. Deze mensen weten precies wat hen goed staat en kiezen louter voor kwaliteit. Het zijn mensen die zeggen: „Dit jasje kostte dan wel 875 euro, maar ik zag meteen dat het leer elk jaar mooier zou worden.”

Zelf ben ik een stuk minder trefzeker. Ik koop vaak niet de kleren die me goed staan, maar de kleren waarvan ik wil dat ze me goed staan. Tel daarbij mijn gretige voorkeur voor kwantiteit boven kwaliteit op en het resultaat is een kledingkast vol twijfelgevallen, één-keer-gedragen-dingen en ‘ja maar die kan best leuk zijn als ik er ooit een blauw vestje in de goede kleur bij vind’.

Gelukkig hebben meer mensen dit probleem. Om de kledingkast op te schonen, zelf nog wat te profiteren en geluk en blijdschap in het algemeen te verspreiden, organiseerde een vriendin een Kledingruil.

Ik had nog nooit eerder een kledingruil meegemaakt, en stelde me zo voor dat iedereen een grote tas kleren op een hoop zou kieperen, waarna er een kwartier lang alleen maar stof en rondvliegende plukken haar te zien zouden zijn en iedereen zich uiteindelijk in een hoek met zijn buit terugtrok. Nu ik er zo over nadacht was ik eigenlijk behoorlijk bang. Maar in de huiskamer hadden de vijf andere meisjes elk zorgvuldig hun kleding uitgestald, zodat er rustig gekeken kon worden. Aan tafel gezeten probeerden we de lichte hysterie over zoveel kleren binnen handbereik te bedwingen en construeerden we de spelregels.

Want het onvermijdelijke gebeurt altijd: twee mensen die hun zinnen zetten op hetzelfde item. Dan zit er niets anders op dan soebatten, ruilen of de ander fijntjes op een knellende bilpartij wijzen. Het was al snel duidelijk dat een kledingruil ook erg om gunnen moet gaan: „Neem jij de gebreide pinguïnjurk. Hij staat je goed. Ik heb weer andere dingen, ik zal het overleven. Beloofd.”

Maar na een paar uur uitzinnige kledingfixatie had het hersengedeelte waar die relativering zich bevond iets te weinig bloed gekregen. Twee meisjes stonden als kemphanen tegenover elkaar, tussen hen in lag een kledingstuk: mijn groene Adidas joggingbroek. Saillant detail: hij was veertien jaar oud, gerafeld en vierdehands. Maar beiden wilden hem zo graag hebben dat het ding haast wel bankgeheimen moest kennen. Op een gegeven moment leek alleen een salomonsoordeel me nog een goed idee: een schaar pakken en dreigen hem door midden te knippen.

Na een verhitte discussie kreeg het ene meisje de broek.

Kledingkast opgeschoond, nieuwe kleren en de wetenschap dat mijn oude broek lieve meisjes elkaar de hersenen in kan doen slaan: ik ging tevreden in mijn gebreide pinguïnjurk naar huis.