Politici zijn te optimistisch over wetenschapsparken

Een Silicon Valley maak je niet, zoals politici soms denken, zegt onderzoeker Martijn Smit. Zo’n uitdagende omgeving ontstaat spontaan.

Een wetenschapspark in Oss om het dreigende verlies van kennis en banen bij farmaciebedrijf MSD, voorheen Organon, te voorkomen? „Politici en beleidsmakers zijn veel te optimistisch in het inplannen van de effecten”, zegt Martijn Smit. „Uit onderzoek blijkt dat zo’n wetenschapscluster niet wordt aangejaagd met enkele investeringen of subsidies.”

De sociaal-geograaf is wetenschappelijk onderzoeker aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Vandaag promoveert hij op een onderzoek naar zogenoemde agglomeratie-effecten. Dat zijn effecten die de productiviteit of de groei van een bedrijf positief (of negatief) beïnvloeden. Het meest spraakmakende – positieve – voorbeeld is Silicon Valley, een hightech-industriegebied in Santa Clara Valley, ten zuiden van de Baai van San Francisco in Californië.

Het gebied wordt gekenmerkt door een hoge concentratie van computer- en internetbedrijven. Apple, Hewlett-Packard, Intel, Sun Microsystems, eBay, Google hebben er hun hoofdkwartier. De Stanford University creëerde een innovatieve, uitdagende omgeving. „Daar lag niet echt een blauwdruk aan ten grondslag maar wetenschappers en ondernemers daagden elkaar uit”, zegt Smit. „De rol van politici en beleidsmakers was beperkt.”

Silicon Valley als lonkend perspectief voor Oss? Farmaciebedrijf MSD wil bijna de helft van de 4.500 banen in Nederland schrappen. De maatregel is onderdeel van een wereldwijde sanering bij het Amerikaanse farmacieconcern Merck, de eigenaar van MSD. De in de zomer aangekondigde maatregel is opgeschort tot eind van dit jaar om betrokken partijen de tijd te geven om met alternatieven te komen. Een alternatief voor de 1.100 onderzoekers in Oss zou een wetenschapspark kunnen zijn. Een verzamelplaats van startende en innovatieve bedrijven. „Het is een geforceerde oplossing”, zegt Martijn Smit, „want als de economische wetten zouden werken dan ontstonden die bedrijven toch spontaan”. Het is een manier om werkgelegenheid te behouden, maar zal volgens Smit geen bijdrage leveren aan het kennisbehoud. „Het relatieve voordeel van kennis wordt steeds beperkter omdat het via het internet in één seconde over de wereld wordt verspreid.” Het gaat om het toepassen van die kennis in producten en diensten, en dat is nu juist een terrein waar Nederland in vergelijking met het buitenland slecht scoort.

Steden worden in de economische literatuur vaak beschouwd als centra van innovatie en hoge productiviteit. Maar uit het onderzoek van Smit blijkt dat de organisatie en innovatiekracht van een bedrijf zelf belangrijker zijn dan clustering van hoogopgeleiden en andere bedrijven.

„Een bedrijf moet zelf op zoek gaan naar vernieuwingen. Dan kan de dynamiek van een stad een rol spelen – het heeft een stimulerend effect – maar als dat binnen het bedrijf niet wordt opgepikt, schiet je er niks mee op.”

Smit maakte voor zijn onderzoek gebruik van Nederlandse microdata, gegevens over alle individuele bedrijven en werknemers die door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) worden verzameld. Hij onderzocht of een bedrijf er baat bij heeft om in een cluster van vergelijkbare bedrijvigheid te zitten, bijvoorbeeld doordat kennis die de andere bedrijven in de cluster hebben verzameld ‘weglekt’. De economische theorie zegt dat er zo’n effect zou moeten bestaan, maar het effect bleek in de Nederlandse praktijk klein. Een verdubbeling van de ‘research & development’ door bedrijven in de eigen sector binnen een afstand van vijftien minuten reistijd leidt vier jaar later tot een twee à drie procent hogere kans dat een bedrijf innoveert. „Dat is dus te verwaarlozen. Innovatie moet van binnenuit komen.”