Mijn leven als boom

Rascha Peper probeert de yoga- houdingen die haar soepele, ‘ragfijne juf’ aanneemt zo goed mogelijk na te volgen. Al lukt dat, ook na jaren, nog niet bij alle oefeningen even goed.

Illustratie A. v. Haeringen

Als notoir sporthater valt het niet mee om het lijf regelmatig wat oefening te bezorgen teneinde algehele verstijving, vervetting en dichtslibbing te voorkomen. Ik mag graag de dichter J.C. Bloem citeren, die nauwelijks voor een wandelingetje te porren viel en sprak van ‘dat vervelende gebeweeg’. Hij bleef liever thuis met een boek en een fles jenever bij de hand. Ik vrees dat ik enige overeenkomst met hem vertoon, al valt mijn jeneververbruik mee. Daarom is het beslist opmerkelijk dat ik de laatste jaren, zo niet fanatiek dan toch beslist enthousiast, aan yoga doe. Iedere donderdagavond fiets ik – kou, regen, buik- of hoofdpijn trotserend – naar yogales en doe mijn best als een kind dat een pluimpje van de juf wil; en dat wil ik ook, want deze lerares is een van de voornaamste redenen waarom ik ga en het al zo lang volhoud. Zowel in verbaal als aanschouwelijk opzicht heeft zij een zeldzaam groot doceertalent. Van origine Italiaanse, type balletdanseres, legt ze nauwkeurig in helder, melodieus Engels van spierbeweging tot spierbeweging uit wat je moet doen en niet doen, hoe je voeten moeten staan en waar je spanning en ontspanning dient te voelen. Intussen doet ze de oefening voor in haar maat 34 sportbroekje met een gratie en perfectie die op ons, imperfecte leerlingen, ontmoedigend zou kunnen werken, ware het niet dat ze ook komisch talent heeft. Om te laten zien hoe het níét moet golft ze steeds met kantelend bekken van holle rug naar kromme rug, allebei fout, zodat de slappe lach door onze middenriffen buitelt, terwijl we die juist aangespannen moesten houden.

Het gaat bij yoga om een groot aantal standaardhoudingen die je met inachtneming van de goede ademhalingtechniek een paar minuten moet zien vol te houden. Een paar van die houdingen zijn verschrikkelijk en ik zal ze nooit goed leren. Bij chairpose bijvoorbeeld (ik hanteer maar even de lestaal) worstel ik voortdurend met het fysieke ongemak van te korte hielpezen en de mentale onwil om stoel te worden waarop een ander zou kunnen zitten. Ook de plankhouding verfoei ik. De warriorpose zou ik heel graag goed beheersen, maar daarin voel ik me altijd een beetje lachwekkend, waaraan waarschijnlijk een fundamenteel gebrek aan krijgshaftigheid mijnerzijds ten grondslag ligt. De sfinxhouding daarentegen kan ik moeiteloos vijf minuten volhouden en ik weet ook een heel verdienstelijke cobrapose neer te zetten (of beter: neer te leggen, want bij die houding lig je op je buik en hef je het borstbeen zo hoog mogelijk op) – hoewel ik er bij de ragfijne juf vergeleken wel zal uitzien als een cobra die een fiks konijn aan het verstouwen is.

Een van de moeilijkste houdingen is treepose, boomhouding. Hierbij plaats je één voet hoog tegen je binnendij in de lies, leg je de handpalmen tegen elkaar voor de borst en hef je die langzaam boven het hoofd, totdat de gelijkenis met een denneboom is bereikt. Het been waarop je staat moet sterk en kaarsrecht blijven, alsof het wortel geschoten heeft in de vloer. Yoga is ‘de weg van de kracht’. Wie valt dreigt het hele woud van medeleerlingen uit balans te brengen, als bij een storm in het bos. Voor het uitvoeren van deze houding zoek ik altijd een plek bij de muur, want voor wie zijn evenwicht niet kan bewaren is dit kunststukje a hell of a job.

Vorige week ging ik bij de hooggeplaatste ramen staan, waar je je nog kunt vastgrijpen aan smalle vensterbankjes. Het yogazaaltje ligt op de begane grond aan een gracht en geeft een leuk uitzicht op water en bruggen, waardoor wij ons niet dienen te laten afleiden; wel hoor je steeds voorbijgangers tegen elkaar praten. Juist toen we in de voorbereidende fase van de boomhouding waren, klonken er onder de ramen vrolijke mannenstemmen die Russisch of een andere Slavische taal spraken en zo te horen waren de heren niet op weg naar het eerste café van die avond. Terwijl wij met trillend standbeen en de armen zo hoog mogelijk geheven trachtten te verhouten, sprongen ze op en neer voor de ramen om op te vangen wat er binnen te zien was. Doordat ik lang ben en vlak voor het raam stond, was ik het best in beeld en oogstte volop Slavische opmerkingen en uitroepen, niet zozeer van bewondering, vrees ik, want ze werden gevolgd door daverend gelach. Ik had me allang met mijn rechterhand aan het vensterricheltje vastgegrepen en stond, om nog enig boomeffect te sorteren, zo stoïcijns mogelijk kijkend met de linker in de lucht boven me te tasten. Vier, vijf mannenarmen zwaaiden joelend terug.

„Don’t look at them,” zei onze lerares. „Concentrate!”

Als gevorderde yogi kun je dat. Ik ben ook best enigszins gevorderd: pas toen ze wegliepen, glipte het richeltje uit mijn vingers en viel ik om.