Meer groei dan verwacht in landen van de eurozone

De Europese Commissie maakt zich zorgen, ondanks goede economische groeicijfers. Er dreigt een tweedeling tussen noordelijke en zuidelijke eurolanden.

Voor het eerst in twee jaar groeit de Europese economie harder dan verwacht – maar de man die het aankondigt, kijkt er helemaal niet vrolijk bij.

Eurocommissaris Olli Rehn (Economie en Financiën) maakte gisteren bekend dat de Europese economie dit jaar gemiddeld 1,8 procent groeit, en de eurozone 1,7 procent. Dit is een raming, gebaseerd op de prestaties van de zeven grootste economieën waaronder Nederland. Eerdere prognoses, van mei, waren minder positief. Toen werd voor de EU een groei verwacht van 1 procent en voor de eurozone van 0,9 procent. Rehn, een Fin, stelde vast „dat we weer vaste grond onder de voeten hebben. We scoren weer.” Toch kon er bij hem geen glimlach af: „Ik zie geen reden om victorie te kraaien. We moeten alert blijven.”

Rehns zorg is dat Europa wel uit de recessie komt, maar dat dit herstel binnen de eurozone grotendeels op het conto van één land te schrijven is: Duitsland. Dit is economisch riskant en trekt ook de politieke verhoudingen binnen de eurozone uit balans. Regeringsleiders bespreken het politieke probleem donderdag. Rehn wilde er niet op ingaan.

Behalve Duitsland groeit ook Polen hard (3,4 procent) maar dat valt buiten de eurozone. De zes eurozone-economieën groeien, maar de meeste slechts een beetje. Zo werd de groeiverwachting voor Nederland, in mei 1,3 procent, opgekrikt naar 1,9. Duitsland springt er als enige uit, met 3,4 procent – in mei was de verwachting nog 1,2 procent.

Terwijl Rehn met dia’s toonde dat de export mede door de dalende euro aantrok en dat Europese huishoudens meer uitgeven dan verwacht, waarschuwde hij meermalen voor een ‘two speed recovery’: economisch herstel van twee snelheden. „Veel landen zijn de afgelopen tien jaar niet hard gegroeid en hebben weinig hervormd. Ze raken hun concurrentievermogen kwijt.”

Hij doelde op Italië, Spanje en Portugal. Groei in Italië blijft dit jaar steken op 1,1 procent, onder het gemiddelde. De Spaanse economie krimpt als enige: - 0,3 procent. Vorige week zei de Spaanse premier Zapatero, die fors heeft gesneden in overheidsuitgaven om het excessieve begrotingstekort weg te werken, dat verder bezuinigen onnodig is. Dit zint de Commissie niet: de misère bij Spaanse spaarbanken duurt voort, rentes op staatsleningen stijgen weer. Ook in Portugal moet de Europese Centrale Bank weer stevig interveniëren. Portugal was niet in Rehns prognose opgenomen, maar het ligt evenals Spanje na een kalme zomer weer onder vuur van beleggers. De minderheidsregering van premier Sócrates heeft moeite de oppositie mee te krijgen voor bezuinigingen. Rehn adviseerde Italië om lonen te matigen, omdat de export inzakt. Duitsland doet al jaren aan loonmatiging, wat Duitse producten relatief goedkoper maakt en export stimuleert.

Rehn noemde de groeiende divergentie tussen, grofweg, noordelijke en zuidelijke eurolanden „zorgelijk”. In zijn ogen kan Duitsland in zijn eentje de kar niet blijven trekken – vooral niet als de Europese export en productiviteit teruglopen, zoals dit najaar waarschijnlijk gebeurt. Duitsland moet het daar vooral van hebben.

Een andere risicofactor is de stroeve kredietverlening door banken. Dit maakt bedrijven en huishoudens voorzichtig en kan groei smoren. Bovendien stoppen veel landen nu met hun stimuleringsmaatregelen, en gaan zij flink bezuinigen om de gemaakte schulden weg te werken. Ook die reflex, gevoed door trauma’s over het Griekse schuldendebacle, kan economische contractie veroorzaken.

Rehn waarschuwde expliciet dat „financiële markten nauwelijks hersteld lijken van de schuldencrisis eerder dit jaar”. Voeg hierbij de hoge werkloosheid (10 procent) en het was duidelijk waarom Rehn voorlopig geen reden ziet om te juichen.