Kritiek op mandaat Irak-missie

De Nederlandse militairen die van 2003 tot 2005 hebben meegewerkt aan een missie in Irak, opereerden aanvankelijk onder een „mager en bediscussieerbaar” volkenrechtelijk mandaat. Dit stellen militair historici Arthur ten Cate en Thijs Brocades Zaalberg in een boek over de Nederlandse missie in het Iraakse Al-Muthanna, dat gisteren is gepresenteerd.

Het kabinetsbesluit om militairen in 2003 naar Irak te sturen nadat het bewind van Saddam Hussein door Amerikaanse en Britse troepen eerder dat jaar was verdreven, stoelde op resolutie 1483 van de VN-Veiligheidsraad. Die werd in mei 2003 aangenomen.

Maar volgens historicus Ten Cate stond in deze resolutie geen „expliciete benoeming van een mandatering voor een internationale vredesherstellende dan wel vredeshandhavende troepenmacht”. Wederopbouw onder de vlag van de Verenigde Naties was juist de reden van de regering om de troepen uit te zenden.

Het mandaat voor een dergelijke troepenmacht werd pas later gegeven, in resolutie 1511, die de Veiligheidsraad in oktober 2003 aanvaardde. In de tussentijd opereerden de Nederlanders in Zuid-Irak met „een ongebruikelijke volmacht”, meent Ten Cate.

De constatering van de militaire geschiedkundigen is pikant omdat eerder dit jaar ook de commissie-Davids signaleerde dat de zogeheten politieke steun van het toenmalige kabinet aan de invasie in Irak niet was gebaseerd op een volkenrechtelijk mandaat.

Volgens het boek Missie in Al-Muthanna is de Nederlandse militaire missie anders verlopen dan de regering voor ogen stond.