Hoe meer succes, hoe groter de angst

Voor een verklaring van het verzet tegen de moskee bij Ground Zero kunnen we terecht bij Freud, schrijft Peer Sluiters. Als het verschil tussen individuen kleiner wordt, gaan mensen de nadruk leggen op kleine verschillen.

De weerstand tegen de geplande bouw van een islamitisch centrum nabij Ground Zero in New York staat niet op zichzelf. De ophef kan worden vergeleken met het aanhoudende verzet tegen de komst van de nieuwe Essalaam Moskee in Rotterdam of het Zwitserse minarettenverbod uit 2009. In de maatschappelijke discussie over moskeebouw blijft de belangrijkste vraag echter onbeantwoord: waarom wordt er telkens weer zo vurig geprotesteerd tegen de bouw van de islamitische gebedshuizen?

De inzichten van de Britse sociologen Elias en Scotson leveren een bijdrage aan het antwoord op deze vraag. In 1965 publiceerden zij de studie De gevestigden en de buitenstaanders, waarin ze de machtsverhoudingen blootleggen tussen de bewoners van twee arbeiderswijken in de Engelse stad Leicester. In de oude wijk woonden vooral de gevestigde bewoners, in de nieuwe wijk vooral de nieuwkomers. De gevestigde bewoners behandelden de nieuwkomers als buitenstaanders, wat resulteerde in aanhoudende spanningen en conflicten tussen de wijkbewoners.

De gevestigden probeerden hun groepsidentiteit te beschermen, omdat ze de komst van de buitenstaanders ervoeren als een bedreiging van hun gevestigde levensstijl en status: een bedreiging, met andere woorden, van de bestaande orde. De oorzaak van de spanningen bleek niet zozeer bij religieuze of etnische verschillen tussen de twee groepen te liggen, maar bij de vrees van de gevestigden dat hun leefwereld zou verdwijnen, dat zij aan macht zouden inboeten.

De gelijkenis tussen de spanningen in deze Engelse arbeiderswijken en de actuele conflicten in de VS en Nederland is opmerkelijk. Waar in Leicester oude en nieuwe bewoners met elkaar botsten, staan in Rotterdam en New York niet-moslims en moslims respectievelijk als gevestigden en buitenstaanders tegenover elkaar.

Kenmerkend voor dit gevestigden-buitenstaandersmodel is dat men de aandacht in het debat vestigt op een bijzaak, zoals de bouw van een islamitisch ontmoetingscentrum, terwijl de hoofdzaak van de onrust ergens anders gezocht moet worden, namelijk in een verschuiving van de machtsverhoudingen.

De wrijving tussen de gevestigden en de buitenstaanders treedt het meest opzichtig naar voren zodra de machtsbalans zich in het voordeel van de buitenstaanders aan het wijzigen is. Naarmate de gevestigde groep zich onzekerder voelt, des te meer zal de weerstand tegen de buitenstaanders toenemen.

Dát de macht van moslims groeit, zal geen verbazing wekken. In Nederland nemen moslims niet alleen in aantal toe, moslims spreken ook steeds beter Nederlands, zijn steeds hoger opgeleid en bekleden vaker belangrijke politieke en economische posities. In de Verenigde Staten vindt er weliswaar een minder forse demografische wijziging plaats – er wonen relatief gezien minder moslims dan in West-Europa – maar moslims zijn er gemiddeld hoger opgeleid en hebben meer maatschappelijk succes.

De felle afwijzing van de buitenstaanders en hun symbolen – moskeeën, hoofddoekjes, minaretten – is de tegenaanval van de gevestigden. Het groeiende verzet tegen de bouw van nieuwe moskeeën is dan ook symptomatisch voor de machtstoename van moslims.

Er is nog een tweede aspect van belang. Freud sprak in zijn psychoanalytische beschouwingen over het ‘Narzissmus der kleinen Underschiede’. Wanneer het onderscheid tussen individuen kleiner wordt, ontdekte de Oostenrijkse psychiater, gaan mensen de nadruk leggen op kleine verschillen en neemt bovendien hun gevoel van eigenliefde toe.

Hoe kleiner de verschillen, des te belangrijker ze lijken, en hoe agressiever ze tot uitdrukking worden gebracht.

De Nederlandse antropoloog Anton Blok gaat in zijn essay Het narcisme van kleine verschillen (1997) nader in op dit principe. Hij laat zien dat conflicten vaak ontstaan tussen individuen of groepen die, in tegenstelling tot wat men zou verwachten, juist erg weinig van elkaar verschillen, of waarbij de verschillen in korte tijd sterk zijn afgenomen. Die subtiele verschillen blijken dan de inzet van strijd, terwijl juist de grote overeenkomsten – het gebrek aan onderscheid – het conflict veroorzaken.

Een goed voorbeeld van dit narcisme van kleine verschillen etaleerde zich in de vorige eeuw in de VS toen de Afro-Amerikanen langzaam maar zeker dezelfde rechten verwierven als de blanke bevolking. Discriminatie en geweld namen scherpere vormen aan naarmate de Afro-Amerikanen, vooral in de jaren vijftig en zestig, voor de wet gelijke burgers werden.

In Nederland en de Verenigde Staten lijken moslims, wat macht betreft, steeds meer op de groep gevestigde autochtonen. Dat komt in de moskeebouw tot uitdrukking: het feit dat moslims in New York ondanks alle weerstand in staat zijn om vlakbij Ground Zero een omvangrijk en kostbaar religieus complex te bouwen, weerspiegelt in de fysieke ruimte die machtstoename.

De gevestigde orde wijst daardoor meer dan ooit op de – steeds kleiner wordende – verschillen tussen moslims en niet-moslims. En hoewel de gevestigden maar al te graag willen geloven dat het pijnpunt in de moskee of de hoofddoek zit, huist de echte pijn in het moeilijk te verkroppen verlies van macht.

En hoe kleiner het machtsverschil, hoe groter de ophef.

Peer Sluiters is antropoloog. Hij studeerde antropologie en politicologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en schreef zijn scriptie over de maatschappelijke weerstand tegen nieuwe moskeeën in Rotterdam.