Gewone mensen maken het verschil

Brief aan mijn kleinzoon

(te openen in 2060)

Utrecht, 26 augustus 2010

Zou er zoiets bestaan als een collectieve leeftijd? Kun je zeggen dat de mensheid als geheel eens in de kinderschoenen heeft gestaan en dat de soort integraal ooit op het sterfbed zal liggen?

Zo ja, dan moet dit onze puberteit zijn. Jij zult in jouw tijd pas echt kunnen beoordelen of ik gelijk heb, maar alles wijst erop. Zoals een jong kind blind vertrouwen heeft in z’n ouders, zo vertrouwden wij vroeger op de dominee, de dokter, de schoolmeester en de minister-president. En zoals iedere puber z’n ouders totale sukkels vindt die nergens iets van begrijpen, zo kregen wij schijt aan alle autoriteit. Zo gauw het gezag iets van ons eiste beenden we als boze pubers naar onze kamer en sloegen demonstratief met de deuren. We wisten zelf wel wat goed voor ons was, hoor. Toevallig.

Behalve wanneer er iets misging. Als er een boot zonk, of de bliksem sloeg in, of als het gewoon helemaal geen mooi weer was op ons vakantie-adres terwijl ons dat nog zo was beloofd, dan riepen we heel hard ‘Wie gaat hierover?’ en gaven we onze pas verworven zelfstandigheid graag uit handen.

We waren pubers jongen, in alles. Compleet in de war. Voortdurend verliefd ook, we vielen voor iedereen die ons ook maar een greintje aandacht gaf. Kijk maar naar de verkiezingsuitslagen uit mijn tijd. Van extreem-links naar extreem-rechts zwabberden we, en we waren het zo weinig met onszelf eens dat er niet eens een behoorlijk kabinet van te bakken was. En áls de mensen die we gekozen hadden dan eindelijk een regering hadden gevormd, wilden we weer niks van ze aannemen omdat ze heus niet moesten denken dat ze meer wisten dan wij.

Pubers willen nou eenmaal per definitie niets aannemen van de autoriteit die boven ze is gesteld maar leren liever van hun peer group. We zochten onze gelijkgestemden via alle sociale netwerken die er maar voorhanden waren. Oma ook, zonet nog: ‘Wat moet de generatie van 2060 absoluut weten van de onze?’ vroeg ze aan haar volgers op Twitter. Oh ja, Twitter. Dat is iets van vroeger jongen. Een soort Qwurq, maar dan heel primitief. Mensen die er niet aan deden vonden het héél stom, Twitter. ‘Het gaat helemaal nergens over, die berichtjes’ zeiden ze, en ook ‘Waar haal je in godsnaam de tijd vandaan?’

Daarna gingen ze weer verder met het leegeten van hun neus. Wat zij niet begrepen was dat Twitter geen CNN was en dat de gebruikers (op CNN na dan) die ambitie ook niet hadden. Twitter was als een grappig briefje door de klas gooien, en kijken of er iemand gniffelt. Alleen was de klas nu de wereld. Sommige mensen vonden het narcistische onzin, dat voortdurend maar in 140 tekens aan elkaar en de wereld willen vertellen waar je mee bezig bent, maar het was toch meer dan dat. Als een verschrikkelijk grappige Volkskrant-columniste twitterde ‘Jagend zwerk. Daar kan ik maar niet aan wennen’ zou je kunnen denken: ‘Nou en. Val mij er niet mee lastig.’ Maar je zou je ook kunnen realiseren dat dat een verdomd mooie manier is om een snel voorbijtrekkende wolkenlucht te beschrijven, dat je zomaar een gratis minicolumn kreeg, en dat er weer iets moois, iets kleins, iets ontzettend alledaags boven de werkelijkheid uit was getild, en niet onopgemerkt gebleven.

Misschien was dat ook waarom Oma het deed; het creëerde een geruststellend soort fictie, dat getwitter. Het echte leven heeft geen plot, geen leitmotiv en geen clou (Erg he? Daarom geloven mensen in God, lieve jongen. Het is geen doen), maar met die kleine berichtjes over het nieuws of je alledaagse bezigheden kon je de werkelijkheid naar je hand zetten, je dagen herschrijven, je leven leuker verwoorden dan het was. Dat is de romantische uitleg ja, vergeef me, de praktische is dat het voor mensen met zo’n eenzaam beroep als dat van Oma een heerlijk alternatief was voor de koffieautomaat. Een lulpraatje met collega’s maken, dat vond Oma fijn. ‘Wat moet de generatie van 2060 weten van de onze?’ vroeg Oma dus net, aan haar collegaatjes op Twitter. ‘Dat we ons best deden’, twitterden de meesten, tussen alle zelfkastijding over klimaat en hufterigheid door.

Dat is waar jongen. We deden ons best, maar waren zo stuurloos als pubers nou eenmaal zijn. Voor we onze ontzetting over die mooie documentaire over het klimaat konden omzetten in het CO2-neutraal maken van ons huis waren we alweer afgeleid door die te gekke nieuwe niet eens zo heel vervuilende auto.

We deden ons best.

Mooi he, dat mensen willen dat ik je dat vertel? Alsof jij dat anders niet zou geloven, alsof we nu alvast onze excuses aan moeten bieden. Vergeef ons jongen, want we wisten niet wat we deden. Iedereen deed z’n best, maar toen ik zo oud was als jij geloofde ik daar niks van. Dat kwam pas later, zo’n beetje na de geboorte van jouw vader. Als ik daarvoor een vrouw twee schreeuwende kinderen door de supermarkt zag slepen dacht ik alleen maar ‘Aaaaah! Shut them up, laat je kutkinderen hun muil houden, ik ben verdomme net wakker’, maar nu zag ik haar en dacht: ‘Zo. Om half tien ’s ochtends het hele soepie inclusief jezelf geknipt en geschoren én leuk aangekleed al in de supermarkt. Respect.’

Iedereen doet z’n best en iedereen is even bijzonder, dat is een heel belangrijk gegeven, in mijn tijd. Gewone mensen, die maken het verschil. De hardwerkende Nederlander. Henk en Ingrid. Die bepalen de koers. We kijken nog steeds op naar megatalenten als Michael Jackson, maar dat doen we het liefst door te zien hoe Heel Gewone Jongens op zo’n superster kunnen lijken. Echtheid, dat vinden we mooi. Gewone mensen die door middel van een beetje zangles, een goeie styliste en een puik dieet boven zichzelf uitstijgen. En als dat ze lukt, willen we dat ze weer het lelijke eendje worden dat naast ons had kunnen wonen. ‘Zo gewoon gebleven’ was het meest felbegeerde predicaat dat een artiest in mijn tijd kon krijgen. Mensen mochten wel uitblinken, maar niet te veel. We leefden in een mediocratie; het gemiddelde was de norm. Tweede Kamerleden kregen op hun donder omdat ze allemaal zo hoogopgeleid waren dat ze daarmee het volk niet konden representeren. De lat moest omlaag.

Literatuur, hoge kunst, wij maakten zelf nog wel uit wat daar onder viel. Doodsbang om door de mand te vallen als niet slim, niet mooi, niet bijzonder genoeg, veranderden we gewoon de norm. Onder het motto ‘Ik ben nou eenmaal zo’ omarmden we, nee, verheerlijkten we wat we waren in plaats van te streven naar wat we zouden kunnen zijn. Ik zeg ‘wat we waren’, maar eigenlijk bedoel ik ‘wat ik was.’ ‘Wij’, da’s een heel lastig begrip, voor pubers. We konden, met dat onvolgroeide puberbrein van ons, nog niet verder kijken dan naar onze eigen, net ontdekte identiteit. We leken wel meisjes van veertien die, alsof de regels voor ons niet golden, razendsnel de wereld rond wilden zeilen zonder ernaar te kijken.

Maar pubers groeien op. Wij ook, denk ik. Mensen veranderen niet, zeggen ze, maar we gaan vooruit. Heel langzaam. Waar we vroeger naar het marktplein gingen om te kijken hoe iemand gevierendeeld werd, kijken we nu hoe talentloze mensen zichzelf vrijwillig belachelijk maken in de audities van Holland’s Got Talent. Ik geef toe, het is een nuance, maar we gaan vooruit.

Pubers worden volwassen. En leren, als vanzelf, dat ze soms iets van zichzelf moeten opgeven om – hoe eng dat ook is – deel uit te maken van iets wat groter is dan zijzelf.

Vertrouw er maar op jongen, durf het maar. Want de hemel, dat zijn de anderen.