Een wielrennersbeen

Oud- wielrenners zijn onder te verdelen in twee categorieën: zij die hun benen scheren, en zij die dat niet meer doen. Ik behoor tot de laatste.

Hoezo zou ik mijn benen nog ontharen. De begroeiing is weelderig en stug, ontharen een tijdrovend karwei. Scheren om ontstekingen van de haarzakjes te voorkomen vanwege het wrijf- en schuurwerk van een masseur is al helemaal irrelevant. Ik lig nooit meer op tafel met een handdoekje tussen de benen.

Wanneer ik op zonnige dagen door de Peel peddel, en tussen mijn armen door de verwaaide boel beneden beschouw, denk ik in een moment van zwakte: het ziet er niet uit, toch maar doen dan? Mogelijk is dit een laatste restje ijdelheid.

Een wielrennersbeen hoort glad te zijn. Het staat ‘gesoigneerd’. Bijna zou je in dit verband de term ‘gecoiffeerd’ gebruiken. De stelling dat een behaard been niet tot het fietsersgilde behoort is verdedigbaar.

In een drift tot identificatie met de professionals is het geschoren been zelfs onder de recreatieve fietsers aan een opmars bezig. Zie je ergens een ongeschoren been dan kun je er donder op zeggen dat je met een minder fanatiek exemplaar te maken hebt.

Een onthaard been is een statement.

Bernard Hinault liet een tijd geleden weten nooit ongeschoren zijn fiets te bestijgen. Dat is opmerkelijk. In zijn gloriedagen verscheen hij vaak met een baard van weken op de kuiten, als statement van superioriteit: met of zonder haar, ik ben gewoon de beste.

Misschien is mijn hedendaagse vacht ook wel een statement: ik ben een wonder van redelijkheid, het wordt toch niet meer wat het was.

Alles aan mij ademt redelijkheid wanneer ik op de fiets zit. Het tempo, het gebruikte verzet, de pijngrens. Ik ben een aangenaam mens voor mezelf. Zolang ik maar in mijn vlakke biotoop blijf.

In de mei was ik in Annecy, met een racefiets in de kofferbak. Lag de Col de la Forclaz daar niet in de buurt, het onding dat ik tijdens mijn wielercarrière maar een keer beklom? Het was een aanvaring toen, jawel, ik had iets recht te zetten.

Hoewel de Forclaz maar acht kilometer lang is, zijn de stijgingspercentages van allure. Koppig zocht ik de cadans van de klimmer, maar hoe redelijk of onredelijk ik de versnellingshendel ook beroerde, ik kwam verbijsterd boven. Als een zakje huid met haar erop.

Een speling van het lot bracht me gisteren opnieuw aan de voet van de col. Nu zou ik hem temmen, in plaats van andersom.

Hoe zal ik zeggen, na een kilometer of zes, op een heel steil gedeelte, is rechts van de weg een parkeerhaven waar je liggend op je rug zowel het melkzuur als de nederlaag uit de benen kunt schudden.