Crisis bedreigt investeringen in stad en natuur

Veel is verbeterd in onze leefomgeving, constateren onderzoekers. Maar er zijn ook bedreigingen: files in de Randstad, te weinig groen in nieuwe wijken.

De kwaliteit van de leefomgeving is de laatste twintig jaar „sterk verbeterd”, maar de recessie en bezuinigingen van een nieuw kabinet kunnen veel verpesten. Dat concludeert het Planbureau voor de Leefomgeving in het vandaag verschenen rapport Balans van de Leefomgeving.

Op korte termijn profiteert de fysieke omgeving – stad en platteland, infrastructuur, water, natuur en milieu – van de economische neergang, stellen de onderzoekers. Er worden minder vervuilende stoffen de lucht ingeblazen en er is minder vraag naar schaarse ruimte. Maar door de crisis wordt het moeilijker de ontwikkeling van schone technieken te betalen en te investeren in stad en natuur.

Het beleid van achtereenvolgende kabinetten heeft tot op heden „ontegenzeggelijk successen” gehad, stelt het Planbureau vast. „Zonder beleid voor milieu, natuur en ruimte zou de kwaliteit van de leefomgeving verder zijn aangetast door de toegenomen menselijke activiteiten.”

Grote steden zijn weer „populaire woonplaatsen voor mensen met hoge en middeninkomens”. Probleemwijken zijn vernieuwd. Er wordt minder dan twintig jaar geleden gebouwd in beschermd open gebied bij grote steden en in waardevolle landschappen. De mobiliteit is méér toegenomen dan de congestie en de milieuvervuiling. Lucht en water zijn schoner geworden, en ook de blootstelling aan bodemverontreiniging is „drastisch verminderd”. Er is meer natuur gekomen en de verzuring van deze natuurgebieden is tot staan gebracht.

Toch blijft er veel te wensen over. Zo doet Nederland nog onvoldoende om de „reeds merkbare” klimaatverandering het hoofd te bieden; de afgesproken reductie van broeikasgassen met 30 procent in 2020 halen we niet, de energiebesparing gaat niet snel genoeg, en de productie van ‘hernieuwbare energie’, zoals uit wind, zon en biomassa, groeit „te traag”. Nieuwe kabinetten zouden hun ambities kunnen verlagen. Dat maakt het klimaatbeleid goedkoper. Maar, waarschuwt het planbureau, dan wordt het wel moeilijker om de Europese afspraken voor over veertig jaar te halen.

Een lastige kwestie is ook de slechte bereikbaarheid, vooral van de Randstad. Tussen 2000 en 2008 nam het tijdverlies in files toe met 58 procent. De capaciteit van de snelwegen nam met 6 procent toe, er zijn grote investeringen gedaan in spoor en water en er kwam 10 procent meer openbaar vervoer. Maar: „Dit alles was slechts voldoende om het bereikbaarheidsverlies in de afgelopen jaren te beperken en niet om de bereikbaarheid te verbeteren.”

De meest logische oplossing is volgens de onderzoekers een kilometerheffing. Die zal de congestie met een kwart tot de helft verminderen. Wegenaanleg is een alternatief, maar het kost „tientallen miljarden euro’s” om tot dezelfde reductie van files te komen. Bovendien zijn meer wegen slecht voor natuur en milieu. Ook nuttig vindt het planbureau het om forensenverkeer terug te dringen, door veel woningen te bouwen op plaatsen waar de meeste banengroei is. „Het omgekeerde – meer werkgelegenheid creëren in gebieden waar veel woningen gebouwd zijn – is moeilijker.”

Een andere „kwetsbare factor” is de leefbaarheid in de steden. Het aantal mensen dat woont in gebieden met „grote leefbaarheidsproblemen” is tussen 1998 en 2009 weliswaar gedaald met 60 procent. Er zijn in de steden ook relatief veel woningen bijgekomen en ook het aandeel rijkere mensen is toegenomen. Maar van alle Nederlanders woont nog altijd 5 procent in een buurt met „leefbaarheidsproblemen”. In oudere steden, zoals Rotterdam, maar ook in nieuwe steden als Lelystad en Zoetermeer. De lucht langs drukke verkeerswegen in steden is niet goed en ook is er onvoldoende groen in nieuwbouwwijken. Eén van de maatregelen om steden „krachtig” te maken, vinden de onderzoekers, is het „mengen” van wonen en werken in steden.

Ten slotte natuur en landschap. Er zijn de laatste twintig jaar meer natuurgebieden gekomen en ook is ruimte gemaakt voor recreatie. Landbouw en natuur zijn ruimtelijk van elkaar gescheiden, zodat ze niet met elkaar in conflict komen. Maar de „keerzijde” van de scheiding is dat op bijvoorbeeld landbouwgrond bij wijze van spreken geen natuur meer te vinden is, en dat natuurgebieden toch last houden van de uitstoot van de landbouw, industrie en verkeer. Het planbureau suggereert om de uitstoot van schadelijke stoffen door deze sectoren verder te beperken én om de natuurgebieden groter te maken, „zodat kwetsbare natuur in de kern komt te liggen en gebufferd wordt door de randen”. Vooral doorgaan dus met de aanleg van de Ecologische Hoofdstructuur, stelt het planbureau. Met daarbij als „een kansrijke optie om het beleid efficiënter te maken” de afschaffing van subsidies aan boeren die ‘aan natuur doen’. De winst van dat soort natuur voor de biodiversiteit is namelijk „gering”, aldus het rapport.