Over moskeeën, kerken en de tijd

Hij kwam als politiek vluchteling uit Noord-Afrika, vanwaar hij de straat van Gibaltrar overstak naar Europa, zoals zo velen na hem zouden doen. Abd al-Rahman I was zijn naam, een zoon uit het beroemde geslacht der Omeyyaden, ooit heersers over Damascus. Toen hij 16 was, ontsnapte hij toevallig aan de moordpartijen op zijn volledige familie

Hij kwam als politiek vluchteling uit Noord-Afrika, vanwaar hij de straat van Gibaltrar overstak naar Europa, zoals zo velen na hem zouden doen. Abd al-Rahman I was zijn naam, een zoon uit het beroemde geslacht der Omeyyaden, ooit heersers over Damascus. Toen hij 16 was, ontsnapte hij toevallig aan de moordpartijen op zijn volledige familie door de rivaliserende Abbassiden, en vluchtte naar Ceuta. Na zijn aankomst in Spanje lukte het hem vrede te stichten tussen de rivaliserende Arabieren en Berbers. Hij koos Córdoba als hoofdstad, en werd de eerste Emir van het onafhankelijke emiraat (later kalifaat).

Zijn verlichte bewind vormde de opmaat tot vijf eeuwen van ongekende bloei in kunsten en wetenschappen in Al-Andalús: in de tiende eeuw bezat zijn nazaat, de kalief van Córdoba, de grootste bibliotheek ter wereld. Zelfs vrouwen, mits hooggeplaatst, waren niet uitgesloten, en schreven poëzie. Naast de islam werden de christelijke en joodse geloofsovertuigingen geaccepteerd, omdat zij ook ‘religies van het Boek’ waren.

In het jaar 786 begon deze Abd al-Rahman I met de bouw van wat de grootste en mooiste moskee moest worden in de westelijke landen rondom de Middellandse Zee. Hij kocht de basiliek van San Vincente, die hij liet afbreken om de zuilen en fundamenten ervan te gebruiken in zijn moskee. Na zijn dood, in 788, bouwden zijn opvolgers meer dan tweehonderd jaar lang voort aan de Mezquita. Voor onze moderne blik zijn nog steeds het meest indrukwekkend de dubbele tweekleurige bogen met hun opvallende contrast van wit marmer en rode baksteen. In het aangrenzende Patio de los Naranjos loopt het verkoelende water in eeuwenoude kanaaltjes tussen de sinaasappelbomen. Meer dan tweehonderd jaar na de uiteindelijke voltooiing bleef de Mezquita van Córdoba de parel van de westerse islamistische cultuur.

Maar in 1236 veroverde de katholieke koning Fernando III van Castilia de stad Córdoba. Hij liet de Mezquita inwijden als kathedraal. De gevolgen bleven niet uit. Zijn opvolgers verminkten de abstracte architectonische patronen van de Mezquita, eerst met gotische kapellen en later met een enorm kruisvormig koepelgewelf. Dat gebeurde overigens zeer tegen de zin van de bewoners van de stad. Het grootste deel van de 16de eeuw werd door dergelijke werkzaamheden in beslag genomen, terwijl in de 18de eeuw de zaak nog eens werd verfraaid werd met een barok koorgedeelte. Pas toen de Unesco de Mezquita in 1984 aanwees als werelderfgoed, daalde eindelijk de rust neer. Een relatieve rust, want sindsdien bezoeken miljoenen toeristen het monument dat de naam draagt Mezquita-kathedraal.

De erkenning door de Unesco markeerde het begin van een lofzang op de bloeiperiode van Al-Andalús. In de publieke aandacht groeiden de tolerantie en de culturele en wetenschappelijke vernieuwing van destijds tot mythische proporties, waarvoor de Mezquita het tastbare symbool vormde. Alleen daar, in het verlichte Córdoba, terwijl Noord-Europa in de donkere Middeleeuwen verkeerde, en de Italiaanse Renaissance zich nog nauwelijks aankondigde, zouden moslims, joden en christenen in vrede geleefd hebben en elkaar tot grote hoogten hebben geïnspireerd.

Het huidige Córdoba opende trots een Museo de la Tres Culturas waar dit roemrijke verleden wordt getoond. In 2005 richtte de VN, altijd bereid tot hoogdravende verklaringen, de Alliantie van Culturen op, in de geest van Córdoba, en op initiatief van Spanje en Turkije. Het initiatief werd weer geprezen door president Obama tijdens zijn toespraak in Kaïro, in juni 2009. Nog dit voorjaar werd er in de stad een internationale conferentie gehouden over religieus pluralisme.

Het is dan ook geen toeval dat het gebouw dat in New York de omstreden moskee moet herbergen, The House of Córdoba heet. Het plaatst zich daarmee in een lange en prestigieuze traditie. Ironisch genoeg is in de laatste jaren in Córdoba zelf de onrust opgelaaid. Islamitische Spanjaarden eisen het recht op om in een deel van de Mezquita te bidden en laken de intolerante houding van de katholieke kerk. De kerk stelt echter dat het gaat om een kathedraal, die ooit een moskee was die zelf weer gebouwd was op christelijke fundamenten. Een van de leiders van het Spaanse Islamitische Verbond, een bij de jezuïeten opgeleide bekeerde moslim, bestrijdt echter het eigendomsrecht van de kerk, op basis van het feit dat Abd al-Rahman I destijds wel in een openlijke transactie de rechten heeft verworven op de grond van de basiliek van San Vincente, maar Fernando III de Mezquita heeft ingenomen waarvoor hij nooit heeft betaald. In een gebouw dat tot werelderfgoed verklaard is, moet iedereen kunnen bidden, vinden zij. Net als de euforie over AlAndalús van het vorige decennium, zijn de religieuze spanningen van vandaag een teken van de tijd.

Op de tijdschaal van eeuwen bevruchten religies en culturen elkaar. Abd al-Rahman I, net als de Romeinse keizers voor hem en de architecten uit de Renaissance na hem, hergebruikte materialen en ideeën. Het is zinloos om te speculeren over wat er uit het kalifaat van Córdoba – en uit Europa – gegroeid zou zijn als het niet vernietigd was door de Spaanse koningen in naam van het christendom en als de islamitische en joodse bevolking niet verdreven was. Misschien hadden rivaliserende Arabische facties het kalifaat ondermijnd en was Al-Andalús toch ten onder gegaan. Wat van veraf een ideaal lijkt, blijkt barsten te vertonen.

En omgekeerd. Wie weet zal ooit onze tijd, die wij nu zo als instabiel ervaren, door volgende generaties gezien worden als een periode van grote welvaart en tolerantie. Maar wat ons moet blijven leiden, is het ideaal.