Hypocrisie in Kerk

Het seksueel misbruik op katholieke Belgische scholen door priesters is „veel ernstiger dan aangenomen”, aldus de samenvatting dit weekend van resultaten uit onderzoek. De snelheid waarmee de reputatie van de Rooms-Katholieke Kerk te gronde gaat, is adembenemend. België had de primeur van een bisschop die jarenlang een pedofiele relatie onderhield. In Nederland is de doofpot recentelijk eveneens opengegaan. Ook hier zijn honderden meldingen van misbruik door priesters en is een onderzoekscommissie aan het werk. De eerste schandalen in de VS zijn inmiddels alweer dertig jaar oud. In tientallen landen hebben slachtoffers de verkrachters van hun jeugd aangeklaagd.

Hoe kon kindermisbruik binnen de Kerk zolang verborgen blijven? Gaf het celibaat de aanzet? Voor buitenstaanders is seksuele onthouding immers onnatuurlijk. Wie daar levenslang toe verplicht is, denken zij dan, moet wel ontsporen.

Het Belgische onderzoek, onder leiding van kinderpsychiater Peter Adriaenssens, herschrijft echter het daderprofiel. Zeker, seksuele onthouding kan priesters in een crisis brengen die tot seksuele benadering van hun pupillen leidt. Ze kan alleen de omvang van het misbruik niet verklaren. In België is tussen ruwweg de jaren 60 en medio jaren 80 geen enkel katholiek internaat of school geweest waar priester-leraren zich níét aan de kinderen vergrepen. Op deze internaten was sprake van strikte hiërarchie, grote machtsverschillen en een institutioneel gebrek aan empathie. De kinderen hadden nauwelijks contact met hun ouders, waren niet mondig en niet voorgelicht. Gehoorzaamheid en onderdanigheid stonden centraal. Er was geen gevoel voor het welzijn van de kinderen, er was weinig emotioneel contact.

Het Belgische onderzoek stelt vast dat de meerderheid van de daders pedofiele mannen waren die in dit klimaat een kans zagen om seks te hebben. Deze groep maakte de meeste slachtoffers. Zij kozen de jongste kinderen en wisselden veel. Voor hen was het celibaat dus een dekmantel, geen harnas. Priester-leraren in celibataire ‘nood’ kozen meestal kinderen ouder dan 14 – zij poogden relaties aan te gaan. In de dadergroep vormden zij de minderheid, die ook minder slachtoffers maakten.

Toen de priesters zich medio jaren 80 in België uit het onderwijs terugtrokken, nam ook het aantal slachtoffers sterk af. Vermoedelijk vooral omdat het beroep minder kansen bood aan pedofielen.

De oorzaken zijn dus breder dan het celibaat alleen. De Kerk bood een vrome dekmantel en een veilige omgeving. Het institutionele belang weegt er zwaar, onderlinge controle is zwak. Nog altijd toont de Kerk zich bezorgder voor het eigen heil dan voor dat van de slachtoffers. Maar ook dat is niet uniek voor dit instituut. Wegduwen, ontkennen, zwijgen, in veel relaties en organisaties komt het voor na machtsmisbruik. Wat vooral steekt bij dergelijk misbruik binnen een religieuze gemeenschap, is de hypocrisie. En het gebrek aan talent om ermee in het reine te komen.