Hofjes

Om de Open Monumentendag nog opener te maken dan hij al was, ontvingen wij thuis jong bezoek dat wij vervolgens meesleurden naar enkele monumenten. Het ging om twee hofjes aan de Rozengracht in Amsterdam die wij ook zelf nog nooit hadden gezien: het Rozenhofje en het Rijpenhofje. Niets verhevigt de nieuwsgierigheid meer dan datgene wat zich afsluit.

We kenden tal van andere hofjes, maar daar mocht je altijd in, en dat is lang zo boeiend niet. Wat bleek nu? Rozenhofje en Rijpenhofje zijn aardige hofjes, maar niet veel aardiger dan die andere hofjes. Misschien moet ik wel oneerbiedig concluderen dat als je één hofje hebt gezien je ze allemaal hebt gezien. Dat geldt voor wel meer typisch Nederlandse verschijnselen: Sinterklaas, erwtensoep, de klomp. Bij het hofje zie je een binnentuin – als je geluk hebt met een pomp in het midden – met oude woningen eromheen waarvoor doorgaans één oudere vrouw in het zonnetje De Telegraaf zit te lezen, daarbij gadegeslagen door een verveelde Italiaanse toerist op lelijke sneakers.

Iedereen die zo’n hofje voor het eerst betreedt, denkt: zou ik er willen wonen? De rust en de stilte zijn er benijdenswaardig, maar moeten ook de keerzijde van de sociale controle hebben – als je er gevoelig voor bent. Dat was het geval bij een oudere bezoekster, een zeer grijze, gebrilde vrouw, die bij de ingang van het Rozenhofje ongevraagd haar indrukken weergaf.

Ze stond in het centrum van een groepje bezoekers, die zich om een dame van de ontvangstcommissie hadden verzameld. „Je moet ertussen passen”, zei de gebrilde vrouw op nogal gespannen toon. „Ik woon ook in zo’n leefgemeenschap. Ik ben er met mijn man gaan wonen, maar die is inmiddels dood en nu woon ik er alleen. Wij zijn er nooit tussengekomen.”

Ze vertelde dat ze bijna dagelijks uitstapjes maakte naar allerlei steden. „Dat vinden ze maar raar. Dan vragen ze: waar ben je nou weer geweest? Zelf zitten ze altijd thuis. Het lijkt wel of ze er iets achter zoeken.”

Wat dan, vroeg ik me af. Een ontuchtig leven? Daar zou ik deze dame niet graag van verdenken. „Laatst”, ging ze verder, „had ik per ongeluk een envelop met een bankoverschrijving van een andere bewoonster opengemaakt. Kreeg ik allerlei vragen van de betrokkene: hoe dat nou kon. Ze blijft erop terugkomen. Ik zeg: wat kan ik nou met jouw bankafschriften?”

De dame van de ontvangstcomissie hoorde de vrouw aan en besloot tot een tegenoffensief. „Ik woon ook in een leefgemeenschap”, zei ze, „niet dit hofje, maar ergens anders, en ik heb het er geweldig naar mijn zin.”

De gebrilde vrouw keek haar meewarig aan. „Je moet ertussen passen”, zei ze weer, waarna ik besloot de frisse lucht buiten het hofje op te zoeken. Daar wees ik mijn jonge bezoek op het contrastrijke van de buurt. Luttele meters van het Rozenhofje zat de afgelopen drie jaar de beruchte Amsterdamse crimineel Dino S. op een zolderverdieping ondergedoken. Net als de bewoonsters van het Rozenhofje was hij een alleenstaande. Zijn enige gezelschap waren grote zonnebrillen en valse snorren. Dino en de vrouwen van het hofje moeten elkaar vaak hebben gepasseerd. Ik denk niet dat zij Dino hebben aangegeven, wel moet ook hij het slachtoffer zijn geworden van een of andere vorm van sociale controle.