Grootmeester die zich nooit iets liet vertellen

De Deense schaker Bent Larsen ging altijd zijn eigen weg. Van secondanten moest hij niets hebben, of het moest zijn om zijn schoenen te poetsen.

Donderdag overleed de grote Deense schaker Bent Larsen in Buenos Aires, waar hij de laatste dertig jaar met zijn Argentijnse vrouw had gewoond. Hij had een paar weken voor zijn dood een hersenbloeding gehad, was nog geopereerd, maar niet hersteld. In maart was hij 75 jaar geworden, aanleiding voor de Deense schaakbond om dit jaar allerlei festiviteiten te organiseren.

Het verjaarsgeschenk dat Larsen van de bond kreeg was een computer en misschien heeft hij die nog wel eens als schrijfmachine gebruikt, maar zeker niet om zich door een schaakprogramma te laten vertellen wat de goede en de slechte zetten zijn.

Larsen liet zich nooit iets vertellen, niet door andere schakers en zeker niet door een machine. Hij ging altijd zijn eigen weg, vaak met ongebruikelijke en soms zelfs bizarre openingssystemen die anderen pas gingen spelen nadat Larsen had laten zien dat het kon. Over het nut van secondanten, vaste gasten in het moderne schaak, zei hij eens dat ze konden dienen om storende mensen of gebeurtenissen weg te houden, als schoenpoetsers en als boodschappenjongens, maar verder nergens voor: „Ik zou nooit vertrouwen op een analyse van iemand anders.”

Larsen vestigde zijn naam als een van de sterkste schakers van de wereld op de olympiade in Moskou in 1956, waar hij het beste resultaat aan het eerste bord haalde. Hij werd toen tot grootmeester benoemd, 21 jaar oud. Min of meer voor de grap zei hij eens dat het een leeftijd was waarop moderne grootmeesters met pensioen gaan, maar dat was veel later, in een tijd dat jonge talenten al uit de wieg werden gegrist om opgeleid te worden tot topschaker. Larsen was nog in Deense militaire dienst geweest en hij had gestudeerd voor ingenieur voor hij beroepsschaker werd.

In de jaren zestig voelde hij zich de beste schaker van het Westen en eigenlijk van de hele wereld, al wist hij heel goed dat mensen als Boris Spassky en Bobby Fischer goede gronden hadden om dat over zichzelf te denken. Larsen was in ieder geval de meest actieve, hij won de meeste toernooien en kon zich daardoor ‘toernooiwereldkampioen’ noemen.

In 1971 was hij samen met Viktor Kortchnoi derde op de wereldranglijst, achter Fischer en Spassky. Het werd ook het jaar waarin hij de grootste catastrofe uit zijn loopbaan meemaakte: hij verloor zijn kandidatenmatch tegen Fischer met 6-0.

Daarna deed hij nog wel mee aan de kwalificatiewedstrijden om het wereldkampioenschap, maar niet meer met de ambitie om wereldkampioen te worden. Wel bleef hij toernooien winnen, bijvoorbeeld het Clarintoernooi in Buenos Aires in 1979, waarin hij drie punten voor bleef op een veld met de voormalige wereldkampioenen Spassky en Petrosian. Het jaar daarop won hij het Clarintoernooi weer, toen boven Timman, Ljubojevic en Karpov.

De laatste jaren trad Larsen nog maar zelden in toernooien op, waarschijnlijk niet uit gebrek aan schaakliefde, maar door een zwakke gezondheid. In 2000 moest hij zich terugtrekken uit het kampioenschap van Denemarken, ook toen was het voor een hersenoperatie. Bovendien leed hij aan diabetes; op foto’s zag hij er veel ouder uit dan hij was.

Wel bleef hij veel over schaken schrijven, wat hij altijd had gedaan, voor tientallen kranten en tijdschriften en voor een aantal boeken die klassiek zijn geworden. Collega’s eisten wel eens dat ze tijdens een toernooi geen kamer naast Larsen kregen, omdat het geluid van zijn schrijfmachine altijd tot diep in de nacht door de muren kwam.

Wat hij ook bleef was een causeur die niet te stuiten was, een bron van anekdotes dankzij een fabelachtige eruditie, en niet alleen wat het schaken betrof. Welk onderwerp er ook maar werd aangesneden, Larsen wist alles.