Bekentenissen van een zaaddonor

Ophef vorige week over een neonazistische zaaddonor wiens zaad alleen naar ‘arische vrouwen’ mocht. Niet alle zaaddonoren lijden aan grootheidswaanzin. Een verslag uit eerste hand.

Onderweg naar de kliniek zie ik in alles verwijzingen naar wat er straks van me wordt gevraagd. Ik heb een vriendin aangeboden als zaaddonor te fungeren. Zij wil graag zwanger worden, niet van mij maar van een anonieme zaaddonor. Omdat de spermabanken in Nederland zo goed als leeg zijn, kan dat alleen als zij zelf een donor meebrengt. En daarom zijn we samen per auto onderweg naar een kliniek voor vruchtbaarheidsvraagstukken in een dorp op het Brabantse platteland.

Het begint al op de verlaten P+R-plek langs de snelweg waar zij me oppikt en die mij vooral doet denken aan een afwerkplek (Pijpen+Rukken). Daarna zie ik aan een lantarenpaal een poster voor een trekker-trekwedstrijd, een kwekerij die aan ‘sierteelt en rasveredeling’ doet en als we er bijna zijn een bedrijf waar grote gele geribbelde drainageslangen achter het hek liggen opgestapeld. Op de parkeerplaats tegenover de kliniek parkeren we tussen Opels met Poolse kentekens, ongetwijfeld van aspergestekers, seizoensarbeiders in het Witte Goud.

Mocht ik van tevoren al enige hogere bedoelingen met mijn daad hebben gehad, ik ben nu compleet ontnuchterd. Mijn donatie zie ik vooral als een technische handeling. Ik denk niet als redder van welk ras dan ook. Alles draait nu om wrijvingsfrequentie en opbrengstmaximalisatie. En dat past bij de kliniek waar we nu voor staan. Geen geheim, door nonnen gerund ziekenhuis in de Brabantse bossen, maar een pretentieloos, bakstenen gebouwtje in de stijl waarin in vinexwijken gezondheidscentra worden opgetrokken. Hier is zaad gewoon sperma.

Zo zie ik het ook. Afgezien van altruïstische motieven, waar ik tijdens het intakegesprek door een psycholoog naar wordt gevraagd (‘we willen weten of je waarachtig bent’), doe ik dit vooral uit nieuwsgierigheid. Over de hele wereld verdwijnen er dagelijks hectoliters sperma in tissues, handdoeken en hotelgordijnen, maar over een bezoek aan de spermabank hoor je nooit iemand. Dat je als alleenstaande vrouw met kinderwens in de Randstad nauwelijks kunt worden geholpen wist ik niet. En eerlijk gezegd was ik me er ook niet van bewust dat doneren niet langer anoniem is, toen ik me op Tweede Kerstdag aanbood als donor. Als de kinderen die voortkomen uit mijn donatie na hun zestiende contact met me zoeken, prima. Tegen die tijd ben ik 53 en waarschijnlijk blij met alle jonge mensen die nog contact met me willen.

Bij mijn tweede bezoek aan de kliniek, mijn zaad is inmiddels goed bevonden en ik heb op een formulier ingevuld dat ik twee vrouwen wil helpen, neem ik de aparte zij-ingang voor donoren. Bij een luik krijg ik een plastic potje. In de donorenkamer staat een versleten leren bank bij een schemerlampje en een kokosmat. De dvd Doornroosje 4 die bij de televisie ligt laat ik links liggen, net als de mand met blootbladen. Alle lust lekt weg. De opbrengst valt tegen. Ik moet nog een keer terugkomen. De twee vrouwen die op de parkeerplaats staan te praten onderbreken hun gesprek als ik naar mijn auto loop. Ze kijken naar mij, denken allebei hetzelfde. Ik zie mezelf door hun ogen en frommel de envelop met de reiskostenvergoeding in de kontzak van mijn spijkerbroek. Bebaard, slordig gekleed, bestuurder van een vervuilde Volkswagen. De vader van ons kind is iemand die op dinsdagmiddag tijd heeft om zich in een hokje af te trekken.