Aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid

‘Welke zijn de gevaren die de constitutie van ons rijk bedreigen?” Onder die kop, die in een moderner jasje zo in een hedendaags verkiezingsprogramma zou kunnen staan, schreef het Algemeen Handelsblad op 3 maart 1829 een stuk met daarin de woorden „met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid.”

Was dit een originele vondst? Bij mijn weten wel. Althans, ik ken geen vroegere bron voor deze uitdrukking. Maar echt héél origineel was het nu ook weer niet. Het was indertijd – zo lijkt het – niet ongewoon om zinnen te maken waarbij twee emoties of karaktereigenschappen tegen elkaar werden afgezet volgens de formule: aan x grenzende y.

Ik geef enkele voorbeelden – van vóór en na die zin in het Handelsblad. Adriaan Loosjes had het in 1816 over „aan preutschheid grenzende fierheid”. In 1832 lezen we over „aan waanzin grenzende droefheid’”, in 1836 over „aan wanhoop grenzende donkerheid”, in 1847 over „aan afgoderij grenzende begeerigheid”, in 1857 over „aan onverschilligheid grenzende bedaardheid”, in 1868 over „aan vermetelheid grenzende stoutmoedigheid” en zo verder.

Er werden in de 19de eeuw, zo moet je vaststellen, kennelijk nogal wat aanpalende karaktereigenschappen in kaart gebracht.

De meeste van deze vergelijkingen bleek een kort leven beschoren, maar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bleef het goed doen. We vinden deze uitdrukking honderden keren in literaire tijdschriften, kranten en romans. Het was een uitdrukking die het zo goed deed dat hij op een gegeven moment als een cliché werd beschouwd.

Althans, ik ken aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als een nietszeggend cliché. Het komt mij voor als een mondvol gebakken lucht.

Toch hoor je deze uitdrukking nog geregeld. Sterker nog: vorige week zou kunnen worden uitgeroepen tot de week van de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Het begon al op 3 september, toen de PVV wegens gebrek aan vertrouwen in het CDA de stekker uit de formatie trok.

Mark Rutte baalde natuurlijk als een gieter en zei dat dit onnodig was geweest, want volgens hem had Verhagen met een „aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” de hele CDA-fractie achter het regeerakkoord gekregen.

Het verbaasde me dat Rutte zo’n oubollige uitdrukking gebruikte, want ik ken hem als een uitstekende spreker. Maar goed, iedereen kan een slechte dag hebben. Maar kennelijk vindt Rutte dit helemaal geen cliché, want wat zei hij toen de PVV, een partij met grote zorgen over de gevaren die ons rijk bedreigen, weer verder wilde praten? „Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid komt er een minderheidskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV.”

Het gebruik van bepaalde woorden en uitdrukkingen kan aanstekelijk werken. Op de sportpagina’s van diverse kranten grensde zekerheid vorige week aan waarschijnlijkheid en toen Tjeenk Willink andermaal werd aangesteld als informateur, zei hij: „Als VVD, CDA en PVV zeggen dat ze door willen met informateur Opstelten, dan moet er een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn dat dit slaagt.”

Voor een redelijke mate van waarschijnlijkheid valt wellicht nog iets te zeggen, hoewel niet veel, maar als deze formatie íéts duidelijk heeft gemaakt dan is het wel dat aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid flauwekul is, zeker in de politiek.