Ruggegraat vol slagroom

Het weekend van 11 september was hier in Nederland het weekend van Wilders. Alle ogen waren gericht op zijn toespraak in New York, zondag werd de documentaire Wilders, the movie uitgezonden en op zaterdag waren er publieke audities voor de rol van (een zingende) Geert Wilders in een nieuw toneelstuk. Het is duidelijk dat het

Het weekend van 11 september was hier in Nederland het weekend van Wilders. Alle ogen waren gericht op zijn toespraak in New York, zondag werd de documentaire Wilders, the movie uitgezonden en op zaterdag waren er publieke audities voor de rol van (een zingende) Geert Wilders in een nieuw toneelstuk. Het is duidelijk dat het merk Wilders vele mogelijkheden biedt. Het wachten lijkt mij op Oh Oh Venlo.

Achttien acteurs deden in de Stadsschouwburg in Amsterdam een X Factor-achtige auditie voor de rol van Wilders, allen getooid met een helblonde pruik. Iedereen las een gedeelte van een echte speech en zong een zelfgekozen lied. Sommigen persifleerden, anderen imiteerden of maakten juist een heel nieuw personage. Duidelijk was dat een Limburgs accent moeilijker is dan het lijkt.

In het lied kon elke acteur zijn interpretatie van Wilders’ psyche weergeven: wat zou Geert Wilders zingen? Een rokerig doorleefd Frans chanson om zijn eenzaamheid te illustreren? Een mobiliserend protestlied of eerder over iets wat hij graag had willen zijn (een bloemetjesgordijn)? Uit de mond van een Wilders-auditant klonken ‘Tomorrow’ uit Annie en ‘Een nieuw begin’ uit Aladdin in ieder geval een stuk utopischer, terwijl ‘You’ll never walk alone’ van Hans Kesting met Wilders-pruik juist een soort dreigement werd.

Maar nog meer intrigeerden de teksten van Wilders zelf. Je weet natuurlijk dat hij op zeer eigen wijze spreekt, maar nu anderen het lazen viel het meer op. Zijn taal is soms zo wonderlijk. ‘Henk en Ingrid’ bijvoorbeeld: ik had nooit gedacht dat iemand daarmee weg zou komen. Ik dacht zelf aan hele andere mensen bij die namen: Henk is voor mij een stratenmaker met intimiteitsproblemen, en Ingrid is een onderbouwjuf die rokken met geborduurde lama’s uit de Wereldwinkel draagt. Mijn Henk en Ingrid zouden niet zo snel trouwen, laat staan dat ze een exemplarisch stel zouden vormen.

Voorgelezen door anderen klinkt Wilders’ taal soms hard of lomp, maar het wordt ook een soort cabaret. Met olijke oubollige woorden: mensen kunnen ‘de rambam’ krijgen en een overheidsbegroting is een ‘flutstuk’. Soms gaat hij schilderachtiger te werk: iemand heeft een ‘ruggegraat vol slagroom’, op de Antillen woont de ‘pina colada-maffia’ en de linkse elite zit vol ‘subsidieslurpende kunstbobo’s’. In één toespraak houdt hij de hele tekst dezelfde metafoor vast, die van het kabinet als vastgelopen autowrak: ‘Ze weten zelf dat er geen redden meer aan is. Dat ze geen acht hebben geslagen op het bordje ‘moeras linksaf’. Maar ze gingen toch linksaf. Omdat hun ideologische TomTommetje al sinds de sixties staat afgesteld op ‘linksaf’. Ze kunnen niet anders. Wouter achter het stuur, André in het babyzitje en Jan Peter die alles best vindt zolang zijn partij maar voorin mag zitten.’

Ik hoop dat deze tekst in het nieuwe toneelstuk een lied wordt. En dat Wilders hem zingt vanuit een enorme zwarte Hummer.