Vroege videokunst stond met rug naar publiek

Exposities: Revealing the Invisible t/m 31 oktober in Museum Gouda. Inl. museumgouda.nl; Werk Stansfield/Hooykaas: 10 september t/m 31 oktober in de KetelFactory, Inl.:ketelfactory.nl ***

In december 2007 werd winkelend publiek in Gouda geconfronteerd met een meditatief kunstwerk: een grachtenpand omgetoverd tot filmscherm. Shots van kaarsen, boeddhabeelden en water. December draait om spiritualiteit, was de moraal, niet om consumptie. De installatie van kunstenaarsduo Stansfield/Hooykaas toonde hoe goed videokunst in de openbare ruimte kan functioneren.

Deze video is opnieuw in Gouda te zien op een monitor in Museum Gouda. Daar opende vorige week zondag een groot retrospectief van Stansfield/Hooykaas. Vier installaties uit de museumcollectie zijn aangevuld met bruiklenen van onder meer het Stedelijk Museum Amsterdam en het MoMa in New York. Morgen opent in de Schiedamse KetelFactory een presentatie met recenter werk. Het is een beladen overzicht, omdat dit de eerste terugblik is sinds Elsa Stansfield in 2004 plotseling overleed. Sindsdien houdt Madelon Hooykaas haar herinnering levend, door onder hun beider naam verder te werken. In de KetelFactory exposeert ze fotoportretjes van hen beiden in de natuur – ze deelden een geloof in de eenheid van mens en kosmos.

Het museum Gouda heeft met Stansfield/Hooykaas klinkende namen gestrikt. Door hun pionierswerk in de videokunst maakte het duo vanaf de jaren zeventig furore in de internationale kunstwereld. De Engelse Stansfield en de Nederlandse Hooykaas ontmoetten elkaar eind jaren zestig. Sinds 1972 werken ze samen. Met meditatieve beelden in de zo technische videokunst combineerden ze natuur en fysica. Beeldschermpjes die lavastromen tonen, monteerden ze in harde stenen. Een minitelevisie in een metalen ton laat wind, water en lucht zien. Röntgenfoto’s en schaduwen werden aangevuld met restgeluiden uit de kosmos, die nu door de tentoonstellingszalen zoemen.

Videokunst exposeren levert soms problemen op. Stansfield en Hooykaas maakten al eens mee dat hun installaties werden neergezet op een rood tapijtje, of op een aangeharkt Japans tuintje – ook best zen, moet de curator in een creatieve bui gedacht hebben. Zulke missers zijn uitgesloten in Gouda en Schiedam, waar Hooykaas toezag op een sobere presentatie.

Het museum wist nog een oude video2000-speler te bemachtigen. Maar als een beeldbuis het begeeft, bestaan vervangende onderdelen niet meer. Videokunst die in de jaren zeventig hypermodern was, is nu zo verouderd dat behoud soms onmogelijk lijkt. Dat musea deze werken toch durfden uitlenen, is een klein wonder.

Maar niet alleen de techniek is veranderd. De videokunst die het nu goed doet op festivals is niet te vergelijken met vroege videokunst – zoals van Stansfield/Hooykaas. Je moet zelfs erg goed ingevoerd zijn in de kunst, wil je houden van die schokkerige beelden op zwartwittelevisies. Het is te vergelijken met jazzmuziek. De swingende jazzvariaties van nu hadden nooit bestaan zonder de improvisaties van jazzmusici die vroeger optraden met de rug, letterlijk, naar het publiek. In Shadow Pictures (1986) deden Stansfield/Hooykaas net zoiets: dit werk is door een zwarte omkapping bijna onzichtbaar.

In de jaren zeventig was veel werk te verzetten. De nog prille videokunst moest een eigen beeldtaal krijgen. Abstracties van collectieve beelden – journaal, natuur – moesten appelleren aan het individuele geheugen. Maar appelleren werkt beter met verleiding. Dat blijkt ook in dit retrospectief, waar de recente werken de echte meesterwerken zijn. Het beste is Day for Night IV uit 2004. Op groot formaat volgen sferische beelden elkaar op. Omlijst met zachte muziek, betoveren natuurfoto’s en speelfilmfragmenten de verduisterde zaal. De snelheid maakt elk beeld relatief, wat een meditatieve rust oplevert. Wat een geluk dat videokunst de pioniersfase voorbij is.