Vrijheid

Sinds ik mijn beheersing verloor bij de Tea Party, kan ik niet langer alleen Geert Wilders de schuld geven.

Tea Party demonstratie Two men hold a US flag commemorating the September 11, 2001 attacks on the World Trade Center in New York at a rally dubbed "Restoring Honor," to show support of the US military, organized by conservative radio and television commentator Glenn Beck, one of the de facto leaders of the Tea Party movement, at the Lincoln Memorial in Washington, DC, on August 28, 2010. The rally has attracted controversy because it is being held on the 47th anniversary of civil rights legend Martin Luther King Jr.'s "I Have a Dream" speech, at the Lincoln Memorial on the National Mall, where King spoke. AFP PHOTO/Nicholas KAMM AFP

‘Er is iets zo grondig mis met Washington”, zegt Walter Berglund, die er net woont. Hij is een hoofdpersoon in de nieuwe roman Freedom van Jonathan Franzen, hier wildenthousiast ontvangen, en terecht. In vijf jaar in Washington heb ik geen roman gelezen die zo nauwkeurig openbaart wat je hier met eigen ogen had kunnen waarnemen, als je tenminste zo goed zou weten op te letten als Franzen.

Freedom gaat over Amerika sinds 9/11. Over de Bush-jaren, Irak, natuurverwoesting, overbevolking, corruptie. Over Democraten, Republikeinen, de Israëllobby, jongeren, internet, roem en de opkomst van Obama. En het gaat over een gezin: Walter en Patty Berglund, hun vrienden en hun kinderen.

Ja, er is iets mis met Washington, waar mensen alleen bezig zijn met macht. Zelfs de zwarte scene in de stad is volgens Walter tragischer dan elders: „Het moet ontmoedigender zijn om arm en zwart te zijn in Washington, dan waar dan ook in het land. Je bent niet eens eng. Je bent er maar een gedachte achteraf.”

Dit zijn, als je hier woont, verschrikkelijke zinnen. Want ja. Na een korte onderbreking van Obama-optimisme is de ontmoediging en bitterheid terug in arm en zwart D.C. De kiezers staan daar nu zelfs op het punt hun eigen toekomst alsnog te verpesten, door de eerste burgemeester weg te stemmen die, na jaren wanbeleid van voorgangers, in staat bleek de rampzalige scholen te verbeteren. Maar ze willen van hem af. Omdat hij „arrogant” overkomt. Welvarend blank Washington houdt zich intussen liever met andere zaken bezig. Met griezelen over de Tea Party. Met de vraag of salmonella ook in biologische eieren kan zitten. Met het bedenken van meningen over een moskee.

Anderhalf jaar na het feestelijke samenzijn op the Mall, tijdens Obama’s inauguratie, leven arme zwarten en rijke blanken hier weer zo gescheiden als voorheen. We treffen elkaar hooguit geïrriteerd bij de kassa’s in de supermarkt, waar sommige zwarte winkelbedienden verwende blanken het bloed onder de gemanicuurde nagels vandaan halen met hun traagheid. Want niemand leerde ze rekenen.

En de Tea Party? Toen die hier laatst massaal rond het Lincoln Memorial kwam demonstreren, ben ik even gaan kijken met mijn kinderen. Dit bij wijze van realitycheck, want zulke mensen zien we hier nu eenmaal bijna nooit. „Kijk jongens, deze mensen houden nu juist níét van Obama.” Ja, deze opvoeder voelde zich weer een hele piet.

Het was heet. Ze kregen een ijsje. Zo liepen we wat rond.

Toen gebeurde het. Een man riep met een warm rood hoofd: „Een ijsje! You’re a great mom!” Op zijn T-shirt stond dat hij een ‘patriot’ was.

Kwam het omdat Sarah Palin de mond al weken vol had van mama grizzlies, een type moeder waarvoor ik liever niet wil worden aangezien? „But I don’t like the Tea Party”, riep ik terug. „So do you still think I’m a great mom?”

Onze patriot was verstandiger. „Of course you are”, zei hij, kalmer dan ik.

Ik moest eraan denken toen ik Jonathan Franzen, in een videofragment op de website van The New Yorker, hoorde zeggen dat een roman manieren moet zoeken om „de grootst mogelijke maatschappelijke situatie te verbinden met de meest intieme, persoonlijke, moeilijk uit te drukken menselijke verhalen”. Waarmee hij de roman in feite tegenover het populisme plaatst.

Bas Heijne beschreef al hoe zich in Europa een patroon van populisme aftekent, waartegen geen ideologie lijkt opgewassen. Mensen zijn te veel met zichzelf bezig om nog naar argumenten van algemener belang te willen luisteren. In Amerika is het niet anders. In Freedom draagt iedereen schuld en de mensen die het onderling begrip het hartstochtelijkst naar de knoppen helpen, zijn de mensen met ‘idealen’, zoals Walter en Patty. Joey, hun opstandige zoon, vraagt dan ook aan iemand: „Isn’t that what freedom is for? The right to think what you want?”

Vandaag legt Geert Wilders in New York in al zijn vrijheid tolerantie en godsdienstvrijheid aan de ketting. Tolerantie mag als ideaal dan passé zijn, het was het enige Nederlandse exportproduct waarover Amerikanen altijd enthousiast met me wilden praten. Ik hoop dat dit niet verandert. Maar sinds ik mijn beheersing verloor bij de Tea Party, kan ik niet langer alleen Geert Wilders de schuld geven. „Freedom”, schrijft Jonathan Franzen, „is a pain in the ass.”