Radicalisering is opvoedprobleem

Radicalisering onder jongeren werd de afgelopen jaren vooral gezien als een veiligheidsrisico dat bestreden moet worden in het kader van terrorisme. Maar om goed te kunnen ingrijpen moet er ook naar de opvoeding gekeken worden. Dat is de conclusie van het onderzoek Idealen op drift dat gisteren werd gepresenteerd.

Ouders en scholen weten vaak niet hoe ze om moeten gaan met jongeren die radicaliseren, stellen de drie onderzoekers, hoogleraar opvoedkunde Micha de Winter, hoogleraar Jeugd en Educatie Marion van San en pedagoog Stijn Sieckelinck. „Ouders schrikken en wenden hun hoofd af, scholen ook. Ze weten niet precies wat ze moeten doen”, aldus De Winter. „De volwassene trekt zich terug en de jongere raakt geïsoleerd. Maar een adolescent heeft juist tegenwicht nodig.”

Dat jongeren, met name jongens, radicale ideeën ontwikkelen is niet iets nieuws, stellen de onderzoekers, het hoort bij de pubertijd. Jongeren zijn op zoek naar een identiteit en houden er radicalere ideeën op na dan hun ouders. Na verloop van tijd keert bij de meeste jongeren de nuance weer terug.

Door het internet is extreem gedachtegoed veel sneller en makkelijker te vinden dan voorheen. Daardoor kunnen extreme ideeën zich sneller ontwikkelen. Bovendien is het makkelijk de informatie en contacten te vinden die de standpunten bevestigen, zonder tegenargumenten tegen te komen.

Jongeren chatten met elkaar via de computer en bellen elkaar met mobieltjes, niet meer op het huisnummer waar ook ouders kunnen opnemen. Het is door dit soort technische ontwikkelingen voor ouders veel ingewikkelder geworden om een goed overzicht te hebben van de vriendengroep waarin kinderen zich verkeren, zegt Marion van San, één van de onderzoekers. Micha de Winter: „Maar dat ontslaat ouders er niet van om goed toezicht te houden op hun kinderen.”