Pensioencrisis lijdt onder rente en onder ideologie

Na de bankencrisis en de eurocrisis staat nu het vertrouwen in pensioenen op het spel. Het kapitaal is er, maar de angst ook. Is er een uitweg?

Het Nederlandse pensioenstelsel kraakt en kreunt. Maar zal het ook barsten?

Andere onaantastbaar gewaande instituten zijn in de kredietcrisis van 2008 neergegaan. Banken en verzekeraars werden genationaliseerd (ABN Amro en Fortis) of door de staat gesteund (ING, Aegon en SNS). Europa moest dit jaar een steunfonds voor zwakke staten vullen om te voorkomen dat Griekenland en de euro barstten.

In vergelijking daarmee houdt het Nederlandse pensioenstelsel het goed vol. Maar na de bankencrisis en de eurocrisis tast de pensioencrisis nu het vertrouwen aan. De vijf grootste pensioenfondsen rapporteerden gisteren rap stijgende tekorten, al zijn het geen records. Hun gezamenlijks krantenadvertentie zegt dat er „wat aan de hand” is met uw pensioen. Zij zeggen: „U kunt zeker zijn van een pensioen”. Dat is, kennelijk, niet per se ook het pensioen dat u is toegezegd of dat u verwacht. Voorbode van lagere pensioenen?

Het pensioenstelsel is de trots van de vakbonden en de werkgevers, die het samen besturen, en van de politici die de regels vaststellen. Dat schept verplichtingen, maar ook verwachtingen.

De Nederlandse pensioenen zijn in essentie een meer dan levensgroot spaarvarken. In de pot zit 784 miljard euro, een record.

Daar zit nu niet de pijn. De beleggingen hebben zich spectaculair hersteld van de kredietcrisis. Het spaarvarken wordt voortdurend gevuld met de premies van werkgevers en werknemers. Samen bijna 28 miljard euro. Meer dan 90 procent van de werknemers spaart, verplicht, via zijn werkgever voor een pensioen bovenop de AOW. De dwang en het brede draagvlak maken het stelsel uniek in Europa. Het spaarvarken betaalt de pensioenuitkeringen voor ouderen. Dat is bijna 23 miljard euro. Het ongewisse en wisselende rendement op de beleggingen moet zorgen dat de pot genoeg groeit om ook de jaarlijkse prijscompensatie (indexatie) op pensioenen te financieren. Deze indexatie is geen recht, maar ‘slechts’ een ambitie als de financiële positie van een pensioenfonds het toelaat.

De pijn zit in de waarde van de pensioenen die zijn beloofd. De rente is dramatisch gedaald. Dat is een direct gevolg van de bankencrisis en de eurocrisis. Om de banken te redden houdt de Europese Centrale Bank de kortlopende rente voor banken laag. En internationale beleggers houden de Duitse en Nederlandse langlopende rente laag. Voorzover zij nog nationale overheden vertrouwen, zijn het Berlijn en Den Haag. Daar voeren ministers van Financiën traditioneel een conservatief begrotingsbeleid. Dat geeft zekerheid.

Maar de zekerheid van beleggers en de continuïteit van de banken is het verdriet van de Nederlandse pensioenwereld. Sinds 2006 moeten pensioenfondsen hun toezeggingen tegen de actuele waarde becijferen. Dat doen zij met de marktrente. Een hoge rente geldt als een indicatie van toekomstige rendementen. Dan volstaat een lager bedrag om het doel van het toegezegde pensioen te bereiken. Maar als de rente laag is, moet de reservering voor het pensioen juist hoog zijn. Er komt niet zoveel rendement meer bij. Het rentetarief dat de pensioenwereld gebruikt was eind augustus nog lager dan de vergelijkbare rente op staatsobligaties. De ‘pensioenrente’ weerspiegelt het absolute minimum, zeg maar: de rente die wordt gebruikt als het fonds zichzelf liquideert. Het gemiddeld gerealiseerde rendement ligt veel hoger. Het Zorg- en Welzijn Pensioenfonds verdiende bijvoorbeeld sinds 1971 gemiddeld 8 procent per jaar. Daar zaten crisisjaren bij, maar ook jubeljaren.

De vraag is: hoe doorbreken de pensioenwereld en de politici de paradox van recordbeleggingen en bijna recordtekorten? De pensioenwereld ijvert via de Tweede Kamer voor een ander, stabieler rentetarief. Maar demissionair minister Donner (Sociale Zaken, CDA) houdt de boot af. Donner wil dat de Kamer de pijn van de pensioenfondsen verlicht door haast te maken met zijn wetsvoorstel om de AOW- en pensioenleeftijd te verhogen. Een hogere pensioenleeftijd betekent lagere pensioenverplichtingen, terwijl werknemers langer werken en premies betalen. Donner ziet langer werken als dé oplossing voor de extra kosten van de trend dat Nederlanders langer leven. Hij ziet dat als hoofdoorzaak van de crisis. Maar dat is meer ideologie dan feit. De cijfers van zijn eigen ministerie en het invloedrijke rapport van begin dit jaar van een adviescommissie onder leiding van hoogleraar Kees Goudswaard wijzen op de renteval als primaire boosdoener.

Donner zet met zijn onderhandelingstactiek de Tweede Kamer onder extra druk. Andere opties om (mede) uit de crisis te komen, zoals verhoging van de pensioenpremies zijn feitelijk niet bespreekbaar. De overheid is ook de grootste werkgever van Nederland. Een CDA-VVD kabinet zal met een bezuinigingsplan van 18 miljard euro geen honderden miljoenen euro extra pensioenpremies voor de overheidsbegroting en de zorgsector accepteren.

Maar Donner is vakman genoeg om de Kamer niet alleen het zuur voor te houden. Hij schermt met maatwerk van De Nederlandsche Bank in het toezicht. Maatwerk is Haags synoniem voor versoepeling. Dat is de klassieke uitweg. De politici bijten door de zure appel heen. De pensioenleeftijd wordt verhoogd. Vervolgens blijkt de onafhankelijke toezichthouder DNB ook praktisch maatwerk te kunnen leveren en hoeft het stelsel niet te barsten.