Militair zakeninstinct

Als natuurgeweld raast het Pakistaanse leger door Pakistan. Al decennia. De krijgsmacht handelt in grond, onroerend goed, cornflakes en toetjes. De meeste landen hebben een leger, het Pakistaanse leger heeft een land.

Waarom heeft een land een krijgsmacht? Voor de landsverdediging, voor internationale vredesoperaties, voor humanitaire hulp bij natuurgeweld. Genoeg te doen, kortom, voor het leger van Pakistan – zeker na de immense over-stromingen van deze zomer, en sinds jaar en dag door het extremistische geweld in Pakistan zelf en de spanningen met buurlanden India en Afghanistan. Maar het Pakistaanse leger steekt de meeste energie in andere core business: economische macht uitoefenen. Of noem het: zelfverrijking.

De grootste projectontwikkelaar van het land is de Defense Housing Authority. De militaire vastgoedondernemers bouwen de ene wijk met kapitale villa’s na de andere. Een blik op de DHA-websites laat een heel andere kant van Pakistan zien dan de beelden van dood en verderf die de afgelopen weken de internationale media domineerden. De militaire makelaars hebben in Lahore bijvoorbeeld te koop: Villa Amber, of Villa Jade – ‘huizen die alle verwachtingen overtreffen’. Sportievere Pakistanen kunnen bij de militairen ook zaken doen voor villa’s bij een golfterrein met 18 holes. ‘Er is immers vraag naar luxe huizen die in alle behoeftes van de elite voorzien, want deze mensen eisen en verdienen alleen het beste’, valt op de website van het project te lezen.

Pakistaanse militairen-ondernemers doen de meest onwaarschijnlijke zaken. En onverbloemd. Onder de merknaam Fauji, letterlijk: Leger, verkopen ze hun honey corn flakes en choco rice crunchies. Naar eigen opgave heeft Fauji Cereals een marktaandeel van 80 procent in cornflakes en 70 procent in havermout. Het produceert ook custardvla en pudding in de smaken aardbeien en ananas.

Defensie-analist Ayesha Siddiqa deed onderzoek naar de geldstromen van de militaire conglomeraten, waarover ze het boek Military Inc. schreef. Toen het in 2007 uitkwam, tijdens het regime van legerleider/president Musharraf, werd het prompt verboden. „De zakelijke belangen van de Pakistaanse militaire klasse zijn wijd vertakt”, zegt Siddiqa in haar woonkamer in Islamabad. Ze somt op: „Ze zijn grootgrondbezitter en beheren grote agrarische bedrijven. Ze zitten in de bouw, in beveiligingsbedrijven, onroerend goed, olie en gas, cement, kunstmest en elektriciteit. Ze hebben zelfs schoonheidssalons.”

De kiem van de economische macht van het Pakistaanse leger is gelegd in de koloniale periode (1858-1947). „De Britten gaven land aan militairen als beloning voor het handhaven van de orde in opstandige gebieden”, zegt Siddiqa. „Die praktijk wordt nog altijd voortgezet.”

Siddiqa berekende dat 12 procent van de staatsgronden in handen is van militairen. „Zelfs oefenterreinen zijn privé op naam gezet van hoge militairen.” Water, ondanks de huidige overstro-mingen een schaars goed in Pakistan, wordt omgeleid om de akkers van de militairen te bevloeien. Siddiqa, verontwaardigd: „Dit is nota bene een land met twintig miljoen boeren zonder grond. Het land dat de militairen inpikken, gaat ten koste van hen.”

Onder leiding van generaal Zia-ul-Haq, president tussen 1978 en 1988, wist het leger zijn macht flink uit te breiden: niet alleen in de economische sector, ook binnen de overheid. De door het Westen gesteunde Zia bepaalde dat 10 procent van alle ambtenarenbanen door militairen moest worden bezet. Dit leidde tot verzwakking van alle bestuurslagen en staatsorganen, schrijft de Internatio-nal Crisis Group, een onafhankelijke denktank gericht op conflictgebieden, in een rapport over de Pakistaanse ambtenarij.

Ook generaal Musharraf, aan de macht tussen 1999 en 2008, versterkte de bestuurlijke macht van de militairen door gepensioneerde generaals op ambtelijke sleutelposities aan te stellen: „Bijvoorbeeld als voorzitter van de Federal Public Service Commission, de dienst voor de werving en carrières van overheidspersoneel”, schrijft ICG.

Na de aanslagen in de VS, op 11 september 2001, beloofde Musharraf de War on Terror van de Amerikaanse president Bush te steunen. Opnieuw stroomden miljarden vanuit het Westen naar Pakistan, net zoals eerder onder Zia was gebeurd. Alleen al vanuit de Verenigde Staten kwam bijna 14 miljard euro. Het geld was niet alleen bedoeld voor militair optreden in de strijd tegen terrorisme, maar ook voor bestrijding van armoede en verbetering van onderwijs. Op die manier moest een voedingsbodem voor extremisme worden weggenomen.

Bijna tien jaar na ‘9/11’ is het volstrekt onduidelijk of de Westerse hulpgelden deugdelijk zijn besteed. Wel klip en klaar is dat de kloof tussen arm en rijk intussen alleen maar is gegroeid. Vier jaar geleden leefden 48 miljoen van de 170 miljoen Pakistanen onder de armoedegrens – een aantal dat tot 62 miljoen is gestegen, zo blijkt uit cijfers van de Wereldbank.

De militaire klasse heeft zich in Pakistan een onaantastbare positie verworven. Van 150.000 manschappen in 1947 kon het leger uitgroeien tot een krijgsmacht met een miljoen militairen, inclusief reservisten. Bij gebrek aan nationale cohesie propageert het leger de islam als nationaal bindmiddel. De steeds weer oplaaiende strijd met India om Kashmir gaat in feite over territorium, maar wordt gebracht als een jihad.

In deze heilige oorlog kweekt het Pakistaanse leger bewust allerlei militante islamitische groeperingen, die zich roeren in India en Afghanistan. De Afghaanse Talibaan en het Haqqani-netwerk, actief in het grensgebied met Afghanistan, krijgen steun omdat Pakistan een islamitisch achterland zegt nodig te hebben voor de gevreesde dag waarop het wordt verpletterd door India – een onrealistisch angstbeeld dat Pakistaanse militairen voortdurend voeden om hun eigen positie te rechtvaardigen. Tegelijk worden de militante groepen ingezet om politieke partijen in Pakistan zelf te dwarsbomen. Zo houdt het leger ook greep op de binnenlandse politiek.

Pakistaanse generaals spelen hoog spel – en ze doen dat vol zelfvertrouwen, want ze weten zich verzekerd van Amerikaanse steun. Hoeveel rapporten er ook worden geschreven waarin staat dat Pakistan de Afghaanse Talibaan steunt, de Amerikanen zullen nooit de band met Pakistan doorsnijden. Het strategische belang van een voet aan de grond in deze regio is te groot: Pakistan ligt dichtbij de energievoorraden van Centraal-Azië en de Golfstaten en grenst aan de opkomende grootmachten India en China.

Tot een hechte eenheidsstaat heeft Pakistan zich nooit ontwikkeld. Daarvoor zijn de onderlinge verschillen tussen de bevolkingsgroepen te groot: Punjabi’s, Sindhi’s, Baluch, Pathanen en Mohajir, islamitische vluchtelingen uit India, hebben allen hun eigen cultuur. Sinds de onafhankelijkheid maken Punjabi’s in Pakistan de dienst uit, ook in de krijgsmacht. De Pakistaanse politicoloog Mohammed Waseem berekende dat 78 procent van het leger afkomstig is uit de provincie Punjab. Wat de andere etnische groepen onderling bindt, is vooral hun afkeer van de centrale regering in Islamabad en de dominantie van Punjabi’s. Het is juist door het binnenlandse ingrijpen van het leger dat de eenheid van Pakistan in gevaar is. Alle provincies hebben afscheidingsbewegingen.

Nergens wordt de Punjabi-dominantie zo pijnlijk gevoeld als in de provincie Baluchistan. Veel Baluch willen onafhankelijkheid. Ze vinden dat hun provincie door het leger als wingewest voor de provincie Punjab wordt misbruikt. Baluchistan is de grootste en – met bodemschatten als gas, goud en koper – in principe ook de rijkste provincie van Pakistan.

Maar Baluchistan is ook het armst en minst ontwikkeld van alle provincies. Slechts 37 procent van de bevolking kan lezen en schrijven, tegen 52 procent gemiddeld in Pakistan. Twee keer zo veel vrouwen sterven er in het kraambed. De kindersterfte ligt er op 160 van de duizend, tegenover honderd van de duizend als landelijk gemiddelde. Het gas vanuit Baluchistan gaat vooral naar het rijke Punjab, terwijl grote delen van de provincie zelf niet op het gasnet zijn aangesloten.

Al vijf keer heeft het leger een opstand van de Baluch gebroken. De laatste keer, in 2005, gebeurde dat met grootscheepse luchtbombardementen. Er vielen honderden burgerslachtoffers en tienduizenden Baluch sloegen op de vlucht. Het leger houdt de provincie sindsdien vrijwel permanent afgegrendeld. Hulpverleners worden niet toegelaten. De Nederlander Ronald van Dijk, die voor Unicef een kritisch rapport over de humanitaire situatie in Baluchistan schreef, werd het land uitgezet.

Met de toenemende armoede in Pakistan, groeit de invloed van religieuze groeperingen, inclusief de Talibaan en andere extremisten. Ze nemen taken over van de falende overheid en staan vooraan om hulp te bieden bij natuurrampen, zoals de aardbeving van 2005 en nu weer bij de overstromingen.

In de groene Swat-vallei wonnen de Pakistaanse Talibaan in 2007 met verbluffend gemak terrein. Landbouwgronden en boomgaarden zijn er in handen van een kleine groep vermogende families. Dat is de reden voor de populariteit van de Talibaan, zegt hoogleraar Minhaj, die geschiedenis doceert aan de Universiteit van Peshawar: „De Talibaan beloofden land van grootgrondbezitters te verdelen onder de armen. Een leeg hoofd is het huis van de duivel. Een jongen zonder werk of opleiding die zich ergens op een bergtop zit te vervelen: waarom zou die zich niet bij de Talibaan aansluiten als die hem een goed leven beloven en een plek in het paradijs?”

Maar helaas voor de lokale bevolking: de Talibaan-milities brachten geen revolutie, maar een schrikbewind. Vierhonderd meisjes- en jongensscholen in Swat werden opgeblazen. Opponenten werden afgeslacht, hun lichamen tentoongesteld op een rotonde in de stad Mingora – door doodsbange Swati’s omgedoopt tot het ‘bloedplein’.

Ziauddin Yusufzai, hoofd van een Montessori-school, was verklaard tegenstander van de Talibaan. „Tussen 1 en 9 januari werden dertig mensen opgehangen in de stad en iedereen verwachtte dat ik ook zou worden gedood. Als ik buiten kwam, keek ik na iedere paar stappen om me heen. Was er iemand in de buurt met een baard of met een hoog-waterbroek zoals de Talibaan die dragen?” Ziauddin vluchtte: „Mijn vrouw sliep niet meer van angst en mijn grootste vrees was te worden afgeslacht voor de ogen van mijn kinderen.”

Maar toen de Talibaan werden verjaagd, reageerden de Swati’s niet opgelucht maar bitter. De bewoners hadden jarenlang om hulp gesmeekt tegen de Pakistaanse Talibaan, maar zolang die vooral in buurland Afghanistan vochten en zich enkel misdroegen in de afgelegen Swat-vallei, reageerde het leger lauw. Pas nadat de Talibaan oprukten richting hoofdstad Islamabad en zich openlijk tegen de staat en het gezag van het leger keerden, volgde militair optreden.

Ziauddin stottert nog steeds van kwaadheid: „Alleen Talibaan-volgelingen die misschien slechts een kopje thee met hen dronken, zijn gepakt. De echte leiders hebben ze laten lopen.” Of dat komt door onwil of onkunde is nauwelijks relevant. Feit is, volgens Ziauddin, dat door het legeroptreden nóg meer haat is gezaaid. „Je kunt mensen niet als reptielen afmaken. Ze hebben vrouwen en kinderen. Zo kweek je nieuwe extremisten.”

Het Pakistaanse leger heeft in de Swat-vallei precies dezelfde tactiek toegepast als de Britse kolonisator, toen die er in 1897 een strafexpeditie uitvoerde. Op een heuveltop die uitkijkt over de Swat-rivier staat een wachtpost die is vernoemd naar Winston Churchill, die erbij was en de expeditie beschreef in zijn History of the Malakand Field Force. Duizenden Pathaanse opstandelingen werden gedood, hun dorpen vernield, hun gewassen vertrapt door meegebrachte olifanten uit India.

In de zomer van 2009 evacueerde het Pakistaanse leger twee miljoen inwoners uit de Swat-vallei en begon eindelijk een groot offensief tegen de opstandelingen. Nog geen twee maanden later werd de overwinning uitgeroepen en keerden veel bewoners terug naar huis. Boomgaarden, landerijen en huizen bleken vernield. Op grote schaal waren standrechtelijke executies uitgevoerd. In verschillende districten werden massagraven gevonden. Het leger ontkent betrokkenheid bij de excessen, maar blokkeert onafhankelijk onderzoek.

Mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch stelt dat na ‘9/11’ duizenden burgers zijn opgepakt die niets met terrorisme van doen hadden. Recente rapporten melden nieuwe gevallen van martelingen en willekeurige arrestaties.

Net als in Baluchistan en Swat past het leger ook elders de tactiek van de verschroeide aarde toe. Een strijdgroep rondom de criminele ‘warlord’ Mangal Bagh, verantwoordelijk voor een golf van ontvoeringen in de grensgebieden rondom Peshawar, kon tijdenlang z’n gang gaan. De bende werd pas opgerold nadat deze het slaapverblijf van de belangrijkste militaire commandant in het gebied met raketten had geraakt. De gevangenen werden trots aan alle media getoond. De dorpen van de bendeleden werden met de grond gelijk gemaakt, want in de stammengebieden geldt formeel collectieve strafoplegging en niet het Pakistaanse strafrecht.

In Swat maakte het leger op een andere wijze duidelijk wie de baas is. Honderden deuren, rolluiken en muren zijn beschilderd met de groen-witte nationale vlag. De Swati’s ervaren het als een vernedering, zegt Montessori-schooldirecteur Ziauddin: „Het leger heeft de mensen gedwongen die vlag op hun huizen te schilderen. Is er soms twijfel of Swat bij Pakistan hoort?”

Van wederopbouw in de Swat-vallei is nauwelijks sprake. De zwakke Pakistaanse burgerregering is niet in staat de grensgebieden tot ontwikkeling te brengen, zoals is beloofd. Het leger heeft na de strafexpeditie slechts hier en daar een schooltje gebouwd. Bij een dergelijk machtsvacuüm is het nauwelijks verwonderlijk dat de Talibaan na een jaar al weer terugslaan met nieuwe aanslagen. Zo vergroot het optreden van het leger de kans op verdere versplintering van Pakistan.