'Ik ben een bang mens'

Schrijver Adriaan van Dis (1946) kan niet wachten om aan zijn volgende boek te beginnen, over zijn moeder. Volgende week verschijnt zijn roman Tikkop. Gesprek over psychoanalyse, schrijven en Zuid-Afrika. ‘Ik wilde bij de kleur van mijn vader horen. Bij de kleur bruin.’

‘Maxime Verhagen is een druiloor!” Met mooie rollende r’s en zichtbaar genoegen herhaalt schrijver Adriaan van Dis de laatste woorden van zijn onlangs op bijna 100-jarige leeftijd gestorven moeder. Vlak daarvoor had ze hem nog gezegd dat hij een goede zoon was geweest, waarop hij geantwoord had, dat zij een goede moeder was geweest. „Vervolgens”, zegt hij droogjes, „gingen we ieder ons weegs. Dat is mooi.”

De ultieme verzuchting van zijn moeder illustreerde haar betrokkenheid bij de wereld en „het heldere hoofd dat zij tot het laatste had”. Ze wilde dood, vijfendertig dagen at ze niet. Gelovig was ze niet, „ze geloofde in alles”, zei haar zoon op haar begrafenis, en „ze haalde ook alles door elkaar”. Boven haar overlijdensbericht prijkte de spreuk van de Indiase filosoof Krishnamurti: „Dood is een vernieuwing”. Op haar begrafenis zei haar zoon ook: „Persoonlijk had ik liever een ander motto in de krant gehad: de groet waarmee Theo Uden Masman van de Ramblers altijd van de radioluisteraars afscheid nam: ‘Maaaarrrrrr, wij komen terug’. Onze moeder heeft dat echter afgewezen.”

Volgende week verschijnt het nieuwe boek van Van Dis: Tikkop. Een tikkop is, in het Afrikaans, een verslaafde aan tik, een goedkope drug. De in Parijs en Zuid-Afrika spelende roman gaat over „verraad, maar ook over vriendschap en liefde voor een taal en een land”. Twee anti-apartheidsstrijders ontmoeten elkaar weer in het nieuwe Zuid-Afrika. Van Dis putte ervoor uit eigen leven: in de jaren zeventig spande hij zich in voor de anti-apartheidsbeweging.

Nooit eerder had hij zo direct na het afronden van een boek, het idee voor het volgende al klaar liggen. Hij gaat over zijn moeder schrijven. Werktitel: ‘Ik wil dood’. „Niet heel commercieel, geloof ik, dus het zal wel een andere worden, maar deze maakt wel duidelijk waarover het zal gaan.” Hij kan niet wachten om weer aan zijn schrijftafel te gaan zitten, in het afgezonderde huisje in de tuin van zijn op zichzelf ook al afgezonderde huis onder de rook van Zutphen, waar hij het bezoek ontvangt.

Hier en in Parijs heeft hij de afgelopen twee jaar („Aan één stuk door, ik heb gelééfd met dit boek”) gewerkt aan Tikkop. Op het moment van onze gesprekken is hij de drukproeven nog aan het corrigeren. Na het eerste gesprek belt hij op, hij heeft, zegt hij, de laatste pagina geschrapt. Waarom? Twee ‘meelezers’ hadden hem laten weten het boek „helemaal niet zo somber te vinden als ik had gezegd dat het was”. Hun opmerkingen waren de speldeprikjes geweest die zijn eigen twijfel hadden doen omslaan in het inzicht dat die laatste pagina weg moest. En zie: alles viel op zijn plek, hoe het de titelheld vergaat, blijft nu in het midden. Later legt hij uit: „Het komt door mijn werkmethode. Aan het begin, als ik voor het lege scherm zit, ken ik de titel, zie ik het omslag voor me en heb ik de eerste en de laatste zin.” Hij laat een stilte vallen en zegt dan, met een bijna verwachtingsvolle en geamuseerde blik in zijn ogen: „Daarna moeten alleen de dialogen nog.”

De kwinkslag op de begrafenis van zijn moeder (‘Maaaarrrrrrr, wij komen terug’) staat niet op zichzelf. Ernst, maar snel ook wat luim: zo schrijft Adriaan van Dis niet alleen – een stijl waar hij om geroemd wordt – zo praat hij ook. Als verdichting van de werkelijkheid, vast gegeven in zijn boeken, ter sprake komt, vertelt hij over de anti-apartheidsgroep waarbij hij zich als jonge student Nederlands en Afrikaans aansloot. Solidarité heette de groep waar de naar Frankrijk uitgeweken Zuid-Afrikaanse schrijver Breyten Breytenbach nauwe banden mee had. „In Tikkop heb ik die zéér vernuftig Fraternité genoemd.” En dan, nadrukkelijk articulerend: „Je moet er maar opkomen.”

En pratend over zijn „seksuele verscheurdheid” zegt hij: „Op de dag dat ik besloot mijn moeder te haten, was ik geen homoseksueel meer.” Maar hij neutraliseert het sweeping statement onmiddellijk met een laconiek: „Niet dat het wat uitmaakt, het is allemaal zevenendertig graden, nietwaar?” Of hij zegt, over weer een ander onderwerp: „Dat is mijn ervaring.” Om vervolgens met een diepe frons te galmen: „Erger: dat is mijn waar-schu-wing!”

Laatste voorbeeld: „Zit ik hier als man van 63 te zeuren over mijn vader, terwijl ik het eigenlijk over maatschappelijke verschijnselen wil hebben. Over hoe het verder moet met de negers.” Het laatste woord spreekt hij uit met een overdreven zachte ‘g’.

Maar als hij dat zegt heeft Van Dis al lang en breed een vurig en wel degelijk serieus betoog afgestoken over Afrika, het continent dat hem al zo lang bezighoudt en waar hij telkens weer naar terugkeert. In 2008 maakte hij de met de Nipkowschijf bekroonde serie documentaires voor de VPRO-televisie Van Dis in Afrika. Retorisch heeft hij zich afgevraagd waarom hij nu ook weer in ‘Tikkop’ over Zuid-Afrika schrijft en bijvoorbeeld niet ‘over corruptie in eigen land’? Het antwoord geeft hij er in één adem bij: omdat er zoveel Afrika in onszelf zit. Omdat Zuid-Afrika, met zijn raciale en religieuze diversiteit, een sociaal laboratorium is, dat ons een spiegel voorhoudt. Dat is goed, „gezien onze angst voor de toekomst, waarvan iedere krantenpagina getuigt”. In dezelfde adem schetst hij de historische banden tussen Nederland en Zuid-Afrika: van Jan van Riebeeck die de Kaapkolonie stichtte in de zeventiende eeuw, via Charles Boissevain, hoofdredacteur van het Algemeen Handelsblad, die tijdens de Boerenoorlog elke dag een hoofdartikel schreef ten gunste van de Boeren, tot vandaag, „nu iedereen in Nederland Zuid-Afrika weer geweldig vindt”.

„Men gaat er met vakantie, omdat het er goedkoop is, men is gecharmeerd van het Afrikaans. Maar men is kort van geheugen. Speelde Nederland voorheen een vooraanstaande rol in de anti-apartheidsstrijd, nu voelt men zich weer verbonden met de Afrikaner, de voormalige onderdrukker en zijn taal. Wie weet nog dat de Soweto-rellen in 1976 zich richtten tegen het op scholen verplichte Afrikaans? De Europeaan belandt bijna onvermijdelijk in het witte kamp, in een samenleving waarin de scheidslijnen nog altijd getrokken worden door kleur en armoede. Of men zit belangstellend in het zwarte kamp, maar dat is meestal folklore. ‘Zo leuk, we zijn bij een familie geweest!’ Na een generatie van culturele boycot spannen Nederlanders zich nu weer in voor het behoud van een gemarginaliseerde zustertaal. Maar de toekomst van het Afrikaans ligt in Afrika en hangt niet af van steun uit Nederland. Het Afrikaans bloeit trouwens meer dan ooit: er is nog nooit zoveel gepubliceerd in die taal als nu!”

Maar er is nog andere reden waarom dit boek over Zuid-Afrika gaat. „Ik huur sinds zeven jaar een studio in Parijs, de grootste Afrikaanse stad buiten Afrika. Dat heeft mijn betrokkenheid weer doen oplaaien. Ik wilde dit boek al heel lang schrijven, ik ben er drie, vier keer aan begonnen, maar het werd iedere keer een ander boek.”

Van Dis wilde erin vertellen hoe hij als jongeman in Parijs getraind werd om „iets te gaan doen in het verzet tegen de apartheid”. „Ik heb er fictie van gemaakt maar er zit ook waarheid in. En er gebeurt iets merkwaardigs als je over jezelf schrijft, of naar aanleiding van jezelf. Je schrijft over jezelf, terwijl je niet over jezelf schrijft. Het personage dat je op jezelf baseert, vergroot je uit. Hoe meer je dat doet, hoe verder je in het boek vordert, hoe minder je het personage zelf bent. Maar voor de lezer ben jij het. Dat is een wonderlijk spel.”

Van Dis „kan niet genoeg benadrukken” dat zijn bijdrage aan het verzet „uiterst bescheiden” is geweest. „Ik heb weleens een enveloppe, waarvan ik de inhoud niet kende, overhandigd aan een mij onbekende persoon. Met dapperheid heeft dat niets te maken. De verzetsmensen daar, die uitzetting, gevangenschap, marteling riskeerden – die waren dapper. Maar die training heb ik wel ondergaan en dat was een zeer spannende periode in mijn leven. Die was verbonden aan mijn studie Afrikaans en aan mijn kennismaking met Breytenbach. Maar zijn verhaal wilde ik niet vertellen. Ik wilde vertellen over de wonderlijke mensen die ik toen heb ontmoet en over wat het met mij gedaan heeft om, uit Nederland, in een internationale gemeenschap terecht te komen, waarin je verschillende levens kon leiden. Het was een gemeenschap van vreemdelingen waarin niemand meer een vreemdeling was. Daar voelde ik me wel bij.”

Waarom? Van Dis, die ‘al met al’ vijfentwintig jaar in therapie is geweest, waarvan acht jaar in klassieke psychoanalyse, verwijst naar zijn jeugd. Daarover schreef hij uitvoerig in de coming-of-age-boeken Nathan Sid, Indische Duinen en Familieziek. Hij komt uit „een milieu van oud-Indischgasten”. Voor die tijd zeer ongebruikelijk, trouwde zijn moeder, een Brabantse boerendochter, op haar twintigste met een donkere, bijna volbloed Javaan, een KNIL-officier met wie zij naar Indië vertrok en met wie zij drie dochters kreeg. Nadat Japan Nederlands-Indië was binnengevallen, werd haar man onthoofd. Ze raakte zwanger van ene meneer Mulder, de vader van Van Dis. „Dat werd pas na vier, vijf maanden ontdekt. Ze had oedeem en de gezwollenheden, die daarmee gepaard gaan, werden toegeschreven aan tekorten. Maar haar dikke buik bleek een andere vorm van tekort.” Bij Mulder, Van Dis’ vader, die stierf toen hij tien was, stroomde eveneens ‘inlands’ bloed door de aderen, maar uit standsoverwegingen pretendeerde hij een Italiaanse herkomst.

„In het milieu van mijn jeugd bestond een grote kleurgevoeligheid. Mijn moeder hoorde in Indië met haar donkere man noch bij de blanken, noch bij de gekleurden. Je kleur bepaalde je sociale status. Iedereen wilde blank zijn. Maar ik was het enige blanke kind. En ik wilde heel graag horen bij de kleur van Indië, bij de kleur van mijn zusjes, bij de kleur van mijn moeders eerste man. En bij de ontkende kleur van mijn vader. Bij de kleur bruin.”

Behalve bij de kleur bruin wilde het zijns ondanks blanke kind, geboren in 1946, in Bergen aan Zee, „bij de oorlog horen”. „Dat klinkt vreemd en ook heel koket, maar de kinderen die uit de oorlog kwamen, durfden meer, waren op een bepaalde manier ongezeglijker, hadden hun ouders in vernederende situaties gezien, ze hadden meer levenservaring. Daar wilde ik bij horen.”

Van Dis herinnert zich ook dat „ik al heel vroeg belangstelling had voor zwarte mensen en voor Afrika”. „De Surinaams-Nederlandse acteur Otto Sterman is levensbepalend voor mij geweest. Ik moet tien of elf zijn geweest toen ik hem zag in het Tropenmuseum. Hij droeg er in een witte pij bijbelse verhalen voor en ik was daar diep van onder de indruk. Ik heb er later opnames van gehoord en toen merkte ik dat hij in een niet-bestaand soort neger-Hollands praat. ‘We sitten op berg en kijken omhoog, sien wolken en regen fallen en ooooh!’ – zeer racistisch zeg je nu misschien, maar als kind vond ik het geweldig. Ik ben dankzij die voordracht onmiddellijk het boek Meesters der negervertelkunst gaan lezen, heb met één van de verhalen daaruit meegedaan aan de voordrachtswedstrijden van de Vrijzinnig Christelijk Jeugdcentrale Noord-Holland en laatst vond ik een foto terug waarop je me ziet als neger verkleed met een raffia-rokje en een groot masker. Naast me zit een Surinaams meisje dat zich heeft wit geschminkt. Ik wilde zwart zijn, zij wit.”

Gevraagd naar de lading van zijn ‘verlangen naar zwart’ – politiek, esthetisch, misschien wel erotisch – zegt Van Dis: „Oh god, nee, erotiek bestond niet voor me en politiek was het ook niet, hoewel het dat wel snel werd: al die verhalen gingen tenslotte over onrecht. Maar oorspronkelijk was het een verlangen naar een romantisch, exotisch en spannend verhaal, een koloniáál verhaal. De belangstelling was gewekt door die varkensachtige pigmentstoornis van mijn huid, maar het verlangen gold het andere, het vreemde, de palmbomen van thuis, de sepia-foto’s in het familie-album, die wonderlijke familie, die witte schoenen, die mensen die op oude perronnetjes stonden, de eerste man van mijn moeder, die trotse Javaan met een pluim op zijn hoofd – ‘Niemand loopt ongestraft onder de palmen’, zoals Goethe zei.”

De „belangstelling voor zwart” voerde Van Dis al voordat hij betrokken raakte bij Zuid-Afrika op een journalistieke reis door Afrika, over land, van Kenia naar Senegal, om Afrikaanse schrijvers te interviewen, in opdracht van het Cultureel Supplement van deze krant en de KRO-radio. Naar aanleiding van een gedicht van Breytenbach over zijn huwelijk met een Vietnamese, waarmee hij de Zuid-Afrikaanse ‘ontugwet’ overtrad, kwam Van Dis bij het Afrikaans uit.

„Wat me in het Afrikaans fascineerde was de kleurgevoeligheid van de sprekers van die taal. Hoewel de geschiedenis uitwijst dat de eerste Vrijburghers zich met slaven en Hottentotten hebben vermengd, werd het later een taboe om over de kleurgrens heen te naaien. Maar het Afrikaans is ontstaan uit vermenging, het is de taal van blank en bruin, een gecreoliseerde vorm van Nederlands. Het herinnerde me aan het petjoh, het Indo-dialect dat voor de grap bij ons thuis aan tafel wel werd gesproken. Die talen waren het bewijs van kleur, maar onder de apartheid werden die wortels steeds sterker ontkend, op de zelfde wijze waarop mijn vader zijn kleur ontkende. Die had het over zijn Italiaanse bloed, maar volgens de kwartierstaten stroomt er inlands bloed door zijn familie. Bastaarden op zoek naar zuiverheid: daar wilde ik meer van weten. De politieke verontwaardiging kwam pas later.”

Politieke verontwaardiging waarover Van Dis in Tikkop schrijft. Ja, zegt hij, zeker. Maar hij relativeert ook. „In de verzetsbeweging is er verzet, er is verontwaardiging, er is een politieke mening maar er zijn vooral ook erg veel hormonen. Iedereen deed het met iedereen. Het waren opwindende tijden. Er zaten topkoppen uit de Sorbonne bij, vluchtelingen, maar ook gauche caviar dat met geld de revolutie steunde. Op training in Normandië zat er ineens een waanzinnig mooi meisje bij, dat vervolgens weer spoorloos verdween. Ik ben bang dat die club zo lek als een mandje was en dat er volop geïnfiltreerd werd door de Zuid-Afrikaanse inlichtingendiensten. Nu kom ik nog wel eens een gezicht van vroeger in de media tegen – opgewonden types die nu op het Franse fluweel zitten. Namen noem ik niet. ”

Van Dis zelf was „een bangeschijterd met zin voor avontuur”. Altijd een stap vooruit om de angst te overwinnen. „Met die zelfde houding wierp ik me later voor de televisie.” Als presentator van het legendarische boekenprogramma Hier is....Adriaan van Dis. „Angst speelt een grote rol in mijn leven, ik ben een bang mens. Ik word geteisterd door nachtmerries. Gekrijs, geschreeuw. Ik ben bang, maar ik houd mezelf voor dat ik dat niet ben. Op recepties onderhoud ik me even met iedereen, als een ambassadeur. ‘Wat doe je dat toch goed’, zeggen ze dan. Maar het is angst.”

Plechtig verklaart hij: „Veel van wat goed lijkt, komt voort uit angst.” Hij vertelt over de „bloedstollende, reuze spannende stiltes” die hij soms als tv-interviewer liet vallen: „allemaal angst, vermomd als professionaliteit”. En hij vertelt over die keer dat hij ’s nachts de Oudemanhuispoort door wil lopen, hoewel hij daar een groepje jongemannen ontwaart. Doorlopen, zei hij tegen zichzelf: „Dit is ook mijn stad”. „Juist wél die steeg in en ze hádden kwade bedoelingen. Ik overschreeuwde mijn angst, letterlijk. Wat ik ervoor had gedacht – dit is ook mijn stad – schreeuwde ik zo luid, dat ze zich uit de voeten maakten.”

Wie schrijft, leidt duizend levens, zegt Van Dis. Het is een probaat middel tegen angst en tegen de schaamte en besluiteloosheid die hem ook kenmerken – van het laatste getuigt zijn, onder zijn vrienden legendarische, verhuisdrift. Langer dan drie, vier jaar woont hij zelden ergens. Ja, beaamt hij: „Met de verhuizers van De Wit ben ik op voet van je en jij.”

„Schrijver Remco Campert zei laatst in een interview dat schrijvers geen psychiater nodig hebben, problemen zijn materiaal om over te schrijven. Maar door therapie kwam mijn schrijverschap juist vrij. Indische Duinen is in woede geschreven. Familieziek, Dubbelliefde – het zijn vruchten van de grote schoonmaak. Als ik schrijf kan ik al mijn ikken zijn – en daarvan zijn er veel.”

Maar, waarschuwt hij ook: wie ‘ik’ schrijft, liegt. „Bén ik de jongen die ik beschrijf in mijn boeken? Die de jurken van zijn zusjes aantrekt en zijn vader verleidt – als een omgekeerde Oedipus? Deed ik dat? Neen. Maar misschien was ik wel verliefd op mijn vader. Hij was mooi, hij kleedde zich onberispelijk, hij rook lekker. Bovendien mishandelde hij me: ik werd dagelijks door hem geslagen en slachtoffers hebben de neiging verliefd te raken op hun beul.”

Het schrijven, verklaart Van Dis, is zijn redding geweest. „Het effect van de klassieke analyse wordt nu uit kostenoverwegingen afgedaan als wetenschappelijk onbewezen, maar een hersenscan voor en na een analyse ziet er beslist anders uit. Je kan de wonden in je brein laten behandelen. Ik kan het iedereen aanraden, vooral mensen die luidkeels beweren dat ze nergens last van hebben. Ik kijk wel eens hoofdschuddend naar al die jonge mensen op jacht naar kicks. Heel begrijpelijk, heel geil maar het laat wel krassen achter. Ook ik had de neiging mijzelf te beschadigen, te ver te gaan, te leven „op grote voet met een gat in de hand”, zoals mijn alter-ego in Tikkop, te nachtbraken en met de verkeerde mensen naar bed te gaan.”

Als je vijftig, zestig bent, weet hij zeker, komt het verleden bij je op bezoek. „Niemand leeft ongestraft in argeloosheid, alles komt terug.”

Dit is het moment waarop hij zegt: „Dat is mijn ervaring.” Om vervolgens met diepe frons te galmen: „Erger, dat is mijn waar-schu-wing!”