Expertdiscussie

Maak EU-burgers allemaal inburgeringsplichtig

Opvolgende Nederlandse kabinetten hebben zich ingespannen om het Associatieverdrag van de EG met Turkije uit 1963 en het daaruit voortvloeiende Besluit 1/80 zo eng mogelijk uit te leggen. In strijd met de grondwettelijke taakopdracht om de internationale rechtsorde te bevorderen worden deze verdragsonderdelen aan de laars gelapt. In een stuk of wat gevallen heeft de Europese Commissie dan ook zaken tegen Nederland aangespannen om ons land in het gareel te dwingen. Een goed voorbeeld zijn de buitensporige leges die van Turken wordt gevraagd om vergunning tot verblijf of verblijfsverlenging voor zichzelf of familieleden. Er spreekt een behoorlijke dosis cynisme uit om wetgeving door te voeren waarvan men van tevoren weet dat die niet door de Europeesrechtelijke beugel kan, en om dan rustig af te wachten of er zaken de rechter zullen bereiken die de betrokken regelgeving in het individuele geval zullen afschieten. Als die zaken voldongen zijn is men weer een aantal jaren verder, en heeft men toch het een en ander aan onrechtmatigs binnengehaald.

Het kabinet moet nu erkennen dat Turken die hier rechtmatig verblijven vallen onder de uitzondering op de inburgeringsplicht van art. 5 lid 2 van de Wet Inburgering en behoren tot de personen ‘die anderszins op grond van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht (...) kan worden worden opgelegd’. Dat geldt dan ook voor andere inburgeringswetgeving, zoals de Wet inburgering buitenland.

Dat is zuiverder dan het telkens te laten aankomen op de procedeerkracht van individuele Turken. De enige uitweg is dat ook EU-burgers inburgeringsplichtig gemaakt worden. Dan kunnen de Turken op dezelfde manier behandeld worden.

Ulli Jesserun d’Oliveira

Emeritus hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Ondermijn noch de EU, noch de rechterlijke macht

Welk kabinet we ook krijgen, we krijgen de komende tijd regelmatig met de volgende gang van zaken te maken. Het kabinet formuleert een ferm voorstel op het gebied van het vreemdelingenrecht. Juristen wijzen er op dat dit voorstel op gespannen voet staat met internationaal en/of Europees recht. De regeringspartijen zetten toch door. Een paar jaar later zegt een Nederlandse of een Europese rechter dat het nieuwe beleid inderdaad in strijd is met internationaal en/of Europees recht. Betrokken politici veinzen verbazing, beschimpen de rechter en geven af op ‘Brussel’.

Dit is om twee redenen funest.

1. In onze rechtsorde zijn bepaalde besluiten overgelaten aan de rechter. De rechter is daarbij gebonden aan de relevante rechtsregels. In dit geval: niet alleen aan de Wet Inburgering, maar ook aan Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije. Over de interpretatie van al die regels valt te twisten. Maar de verontwaardiging gaat daar niet over. Men is onthutst omdat de rechter iets doet waar politici het niet mee eens zijn. Echter, of je accepteert de rol van de onafhankelijke rechter of niet.

2. Nederland heeft, net als veel andere Europese landen veel bevoegdheden overgedragen aan ‘Brussel’.

De rechterlijke macht en de Europese Unie zijn twee instituten waar vrijwel iedereen die in Nederland woont veel belang bij heeft. Dat betekent niet dat zij boven kritiek verheven zijn. Integendeel, er zijn veel redenen voor harde kritiek.

Maar wie hun legitimiteit ondergraaft, speelt met vuur.

Thomas Spijkerboer

Hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Dit zijn delen uit langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert