De stelling van Bas van Stokkom: Juist de middenklasse is verhufterd

In zijn nieuwste boek Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing laakt Bas van Stokkom het doorgeslagen narcisme. Dat leidt tot verruwing waarvan de hele samenleving is doortrokken, zegt hij tegen Maartje Somers.

In de jaren negentig betoogde u dat het morele klimaat opener en daarom beter was geworden. In dit boek wijst u op de grote nadelen hiervan. Wat is er gebeurd?

„Ik wilde toentertijd tegengas geven tegen de neergangsverhalen die ook toen al de ronde deden. Ik heb negatieve tendensen toen wel onderkend, maar onderschat. Opvoedingsproblemen bijvoorbeeld. Sinds de jaren zeventig is het kind op de troon gezet. Het zoeken van bevestiging en aandacht is een dominante persoonlijkheidstrek geworden bij veel mensen. Narcistische trekjes hebben we allemaal, en dat kan ook doorslaan. Daar ondervinden we nu de negatieve gevolgen van.”

Maar is er, los van uw verkeerde inschatting, in de maatschappij ook iets veranderd?

„Een ontwikkeling die tien jaar geleden misschien al aan de gang was, heeft zich doorgezet. Uit onderzoeken van het SCP en van Motivaction blijkt dat hedonisme sterk aanwezig is in Nederland. Daarnaast zie je na een decennium van neoliberaal marktdenken een verharding: cynisme, het is ieder voor zich. De klassieke, plichtsgetrouwe burger met veel normbesef maakt nog maar 25 procent van de bevolking uit.”

Emancipatie geslaagd.

„Emancipatie volkomen geslaagd. En de moeilijkheden hangen daarmee samen. Het ego is te groot geworden. Het presenteert zich als assertief, maar is tegelijk onzeker en kan niet incasseren. Ik noem dat ‘kwetsbare hoge eigendunk’. Dat is de combinatie die leidt tot het beruchte korte lontje.”

Uw boek leest als een catalogus van hufterdom, van asociaal gedrag, belastingfraude en bonus tot schelden en zinloos geweld. Wat hebben al die uiteenlopende dingen met elkaar te maken?

„In mijn ogen zijn ze alle uitingen van twee zaken: hetzij verruwing, hetzij verharding. Verruwing komt voort uit het lichtgeraakte, narcistische zelf dat is terug te voeren op de welvaartsstaat en de ontkrachting van gezag die in de jaren zestig in gang is gezet. Verharding is een uiting van cynisme, van wantrouwen tegen gezag en politiek en gebrek aan inleving met anderen. En dat komt voort uit de marktsamenleving, waarin mensen steeds meer elkaars tegenstrever en concurrent zijn geworden.”

Heeft u het dan niet gewoon over verrechtsing?

„In zekere zin wel, want de samenleving is verrechtst. Niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Maar om verrechtsing alleen te zien als een vorm van verhuftering gaat natuurlijk te ver.

„Er zijn vormen van conservatisme die juist het deugdzame, gematigde leven voorstaan – het tegenovergestelde van de ontwikkeling die ik beschrijf. Maar het is waar: specifieke, egoïstische vormen van verrechtsing vind ik heel zorgelijk.”

Publicist Bastiaan Bommeljé beweerde op 2 september op de Opiniepagina van deze krant dat ‘wij allemaal Geert Wilders zijn’. Wilders zou emblematisch zijn voor hoe Nederland nu is.

„Wilders is zeker tekenend voor de ontwikkeling die ik beschrijf. Het populisme is niet meer weg te denken. Bij ons niet en in het buitenland, het gaat niet meer weg. De dramademocratie blijft om spektakel, strijd en venijnige debatten vragen.”

Maar Bommeljé betoogde ook dat Wilders voortkomt uit de kloof in Nederland tussen de hoogopgeleide elite die zich wentelt in comfort en een steeds grotere onderklasse die in armoede en uitzichtloosheid leeft.

„En dat klopt niet. Naar mijn indruk zie je politiek cynisme en verruwing ook en misschien wel juist bij de welvarende middenklasse die het behoorlijk goed doet. Mensen zijn brave burgers die goed meedraaien in de structuren van school of bedrijf, maar in de publieke ruimte, in hun vrije tijd of op internet, geven ze overlast en zoeken ze de grenzen op. Het blijkt ook uit die interessante tegenstelling uit een tevredenheidsonderzoek van het SCP: mensen geven aan dat ze in kleine kring gelukkig zijn, maar dat er niets deugt van ‘de politiek’ en ‘de ambtenarij’. Hufterig gedrag en politiek cynisme vind je in alle lagen van de bevolking, van Marokkaanse straatjeugd tot de ontvangers van bonussen aan de top. En dus ook zeker bij de middenklasse.”

De oplossingen die u aandraagt stemmen ondertussen niet optimistisch. U pleit bijvoorbeeld voor een opbouwende, samenbindende politieke taal. Maar in kringen van GeenStijl wordt Job Cohen daarom uitgelachen.

„GeenStijl houdt er een uitgekookte strategie op na; ze weten precies hoe ze mensen op stang kunnen jagen. Heel gehaaid. Zo’n Dominique Weesie vindt dat fantastisch, dit soort Spielerei. De kont tegen de krib, lachen! Het is alleen wel een vergissing, deze houding. Mensen hebben ook behoefte zich ergens mee te identificeren: hoop, een politieke toekomstvisie. Laten we ondertussen niet vergeten dat populisme echt niet nieuw is. In de jaren zeventig was het links dat obstructie pleegde en provoceerde. In dit decennium is de beurt aan rechts. De Amerikaanse filosoof Stephen Toulmin ziet dat als een soort conjunctuurgolven, maar dan van emotie.”

GeenStijl als de inversie van Provo?

„Nu ja, het verschil is natuurlijk dat bij links idealen een rol speelden. Maar bij hard links niet, dat was óók verzet om het verzet, even nihilistisch.”

Gesteld voor de keuze, welk decennium acht u dan schuldiger aan de ontketende burger? De linkse jaren zestig/zeventig met hun vrijheid/blijheid of de neoliberale, hedonistische jaren negentig?

„In mijn ogen hadden de jaren zestig/zeventig ook iets moois. Het geloof in verbetering, hoop, solidariteit. De mateloosheid en het cynisme die voortkomen uit de verabsolutering van het marktdenken, vind ik zorgelijker.”

Een andere uitweg die u noemt heeft ook een hoog bloemetjesgehalte. Gastvrijere publieke ruimtes. Op welke manier kan dat nou helpen?

„Dat heeft te maken met het verschijnsel dat ik eerder noemde. Dat verder oppassende burgers, vaak jonge mannen, in de publieke ruimte over de schreef gaan en zich gedragen als piraten. Zij zien grensoverschrijdingen als doel op zich. Weekendhooligans. Nederland heeft daar net als Engeland verhoudingsgewijs veel last van. In Latijnse landen, waar jong en oud de straat delen, zie je het minder. De inrichting van de ruimte heeft daar zeker mee te maken. Subtiele toezichthouders als conciërges en parkwachters, mensen die een ruimte minder anoniem maken, kunnen veel ellende voorkomen, ongeveer zoals barkeepers het vermogen hebben te zorgen dat iedereen zich in een café thuis voelt. Het toezicht moet er niet te dik bovenop liggen, maar persoonlijk zijn en vanzelfsprekend.”

Het klinkt toch tamelijk futiel.

„Ik pretendeer ook niet de oplossing te hebben. Ik beschrijf ontwikkelingen in de publieke moraal. Populisme is niet terug te draaien, de rivaliteit van de marktsamenleving evenmin. Toch verwacht ik op termijn weer een verandering in de sociale conjunctuur. Mensen zien dat er iets is scheefgegroeid. Ze krijgen genoeg van cynisme. Terughoudendheid zal weer op waarde worden geschat. Er komt echt wel weer een tegenbeweging.”

Is hufterigheid een mannending? Er komt nauwelijks een vrouw in uw boek voor.

„Dat kun je denk ik wel zeggen. Vrouwen kunnen natuurlijk ook hufterig zijn, maar vaak in een mannelijke omgeving, zoals voetbalwedstrijden of in sommige uitgaanscircuits. Een feminiene samenleving zou een stuk prettiger zijn.”

Maar is het niet eerder zo dat we die feminiene samenleving al hebben en dat veel jonge mannen zich daartegen afzetten?

„Misschien. In mijn boek beschrijf ik hoe vooral de amusementscultuur mensen overvoert met machismo. Vroeger had je het patriarchale rolmodel. Nu is het heersende manbeeld dat van de krijger.”

Wanneer bent u zelf een hufter?

„Als ik in het verkeer zit. En bij het sporten kan ik ook vloeken en tieren. Als ik voetbal, wil ik winnen.”