'Choquerende kunst werkt averechts'

Angst weerhoudt kunstenaars van activisme, denkt Anna Tilroe. En activistische kunst wordt meteen ingelijfd door het establishment.

Anna Tilroe bij het beeld van Nindityo Adipurnomo & Mella Jaarsma Foto NRC H'blad Maurice Boyer 080613

„Kunstenaars vrezen al zo’n slecht imago te hebben dat ze zich liever gedeisd houden. Doordat er zoveel aandacht is voor glamourkunstenaars en voor de miljoenenbedragen die rondgaan op de kunstmarkt, menen ze dat ze beter niet naar buiten kunnen treden om te vechten tegen voorstellen om de subsidie van kunst te halveren.”

Critica en curator Anna Tilroe ziet angst in de kunstwereld, nu er door Wilders en anderen steeds luider en vrijer wordt verkondigd dat kunst een hobby is van een kleine, geprivilegieerde groep.

Zelf wil Tilroe wel ten strijde. Ze werkt aan een pamflet, volgende maand te verschijnen, waarin ze zich afzet tegen alles wat niet deugt in de kunst en wat kunst volgens haar een slecht naam bezorgt: de dominantie van de kunstmark en de sensatiecultuur. „Mijn analyse is dat de commercie meer en meer bepaalt wat belangrijke kunst zou zijn. Kunst dreigt totaal geregeerd te worden door het kapitaal. De prijs van een werk wordt het kwaliteitscriterium. Het museum heeft daar geen antwoord op, bij gebrek aan budget. „Als dat geen keuze meer kan maken uit goede werken, maar zich moet wenden tot jonge, onbekende kunstenaars, dan verliest het zijn geloofwaardigheid en plaats.”

Tilroe ziet wel pogingen tot een subversieve tegenbeweging, zoals op de politiek geladen biënnale van Istanbul verleden jaar. „Het discours in die kringen is doortrokken van opstandige kreten en politieke verwijzingen.” Heel modieus, oordeelt ze. „Zo’n thema wordt bedacht omdat elke biënnale nu eenmaal een nieuwe, nog ongekende ervaring wil bieden en sensatie wil wekken om publiek te trekken. Bovendien zat de sponsor, de grootste ondernemer van Turkije, op de eerste rij. Dat is cynisch en leeg.”

Is er nog goede anti-establishmentkunst mogelijk? „Ja, maar zulke kunst wordt meteen deel van het establishment. Dat is het lot van iedere subcultuur. Zie iemand als graffiti-artiest Banksy. De rebelse geest is de adrenaline van het economische systeem.”

De intellectuele voorhoede moet zichzelf tegen het licht houden, stelt Tilroe. Er is een mentaliteitsverandering nodig. „Het gesprek over kunst blijft in de inner circle. Het krijgt geen vervolg in de menswetenschappen en in de politiek. Bij debatten zitten alleen gelijkgestemden. Nodig die anderen eens uit!”

In deze krant betoogde econoom Arjo Klamer dat de traditionele argumenten van de elite over de waarde van kunst ‘de gewone man’ niet overtuigen. Tilroe windt zich erover op dat de gewone man als uitgangspunt van het debat over kunst wordt genomen. „Waarom?! Er hebben anderhalf miljoen mensen op de PVV gestemd en dan zouden die plots maatgevend zijn voor hoe de rest van Nederland denkt? Dat is toch idioot!”

Ze begrijpt ook niet waarom de kunstwereld meegaat in de discussie over geld en dan aanvoert dat kunst de economie ten goede komt. „Mensen doen niet aan cultuur om een stad economisch te steunen, maar omdat ze iets krijgen als ze naar kunst kijken, iets immaterieels. Daar moet het debat over gaan.”

Die ‘symbolische waarde’ van kunst overstijgt de materiële waarde, zegt ze. En de symbolische waarde van kunst moet worden verdedigd. „Die waarde ligt erin dat kunst mensen laat zien hoe de wereld is, hoe we onszelf zien en wat we van het leven verwachten. Dat gaat verder dan verlangen naar een groter huis of een grotere auto. Kunst laat ons nadenken over wie we willen zijn en over hoe een mens zou moeten zijn. Dat zijn vragen die in moderne kunst heel gewoon zijn.”

Onomwonden op Wilders reagerende kunst als de bermmonumenten van Jonas Staal en de vermoorde Wilders van Mattijs Bredewold lijken Tilroe geen gepast antwoord op anti-elitaire sentimenten. „Zulke choquerend bedoelde kunst werkt averechts. Het versterkt het idee dat kunst gericht is op sensatie.”

Tot de heersende sentimenten behoort het idee dat de kunstelite niet de vanzelfsprekende autoriteit heeft om te bepalen wat kwaliteit is. Wat Tilroe betreft lijdt het geen twijfel dat er een intellectuele voorhoede is – waartoe ze zichzelf rekent – die het beter weet. „Ik pleit ook voor een elite die zegt waar het op staat en die helder uitlegt wat kwaliteit is. Autoriteit komt niet vanzelf, maar ik geloof in de kracht van de overtuiging.”

Met enthousiasme en goede ideeën zou zelfs die ‘gewone man’ zijn over te halen. „Je moet niet uitgaan van de gewone man zoals hij is, maar van hoe hij zou kunnen zijn. Dat is niet neerbuigend bedoeld: ooit was ik ook zo iemand, ik kom uit een acultureel nest. Maar als je geluk hebt, brengt iemand je in aanraking met kunst en pakt het je.”