Buffer tegen de barbaren

De Romeinen beschouwden de Lage Landen en Germanië als een buitenschil die het hart van hun beschaving moest beschermen.

Het komt niet vaak voor dat een historicus en een archeoloog samen een boek schrijven, zoals Jona Lendering en Arjen Bosman nu voor een geschiedenis van de Romeinen en de Lage Landen hebben gedaan. De rand van het Rijk is voor dit onderwerp de eerste synthese van historische bronnen en archeologische vondsten sinds tien jaar. Lendering is de drijvende kracht achter Livius Onderwijs, waar jaarlijks zo’n zeshonderd belangstellenden een cursus op het gebied van de Oudheid volgen; Bosman is hoogleraar provinciaal-Romeinse archeologie in Gent en adviseur bij het archeologisch bedrijf The Missing Link. In hun boek laten ze onder meer zien dat archeologische vondsten regelmatig de geschreven bronnen tegenspreken, omdat Romeinse en Griekse auteurs vooral de veronderstelde barbarij van de Galliërs en Germanen benadrukken.

Wat het tweetal niet beweert is dat de Romeinen Amsterdam hebben gesticht. Toch kopt Het Parool boven een interview met de auteurs op de dag van de boekpresentatie: ‘Amsterdam is al bijna 2.000 jaar bewoond.’ Vooral pijnlijk voor Lendering, die net de OIKOS Publieksprijs heeft gekregen. De onderzoeksschool van oud-historici en classici heeft hem de prijs toegekend voor de ‘voortreffelijke’ wijze waarop hij de Oudheid onder de aandacht van een breed publiek brengt. Dat doet hij niet alleen in zijn cursussen en boeken, maar ook via de oudegeschiedeniswebsite Livius.org en een maandelijkse elektronische nieuwsbrief, waarin hij gevat commentaar geeft op door hem verzamelde berichten in de media over archeologie en de Oudheid.

In die mail ontbreekt nooit een blokje over naar zijn uitgesproken mening opgeklopt en dwaas nieuws; vooral de publiciteitsbeluste egyptoloog Zahi Hawass komt er regelmatig in voor. Maar nu kan Lendering dus tot zijn schrik een bericht opnemen waarin hijzelf de hoofdrol speelt.

JL: “Ik ben erdoor van slag.”

AB: “Het interview hebben we tevoren gezien en goedgekeurd.”

JL: “Ik had alerter moeten zijn toen de journalist zei, dat hij het voor een ankeiler op de voorpagina wat scherper zou formuleren. We hebben in feite gezegd dat in de eerste eeuw na Christus Romeinse schepen hebben gevaren tussen fort Velsen en het Oer-IJ.”

AB: “Bij de aanleg van de metro in de jaren zeventig zijn dan ook een paar Romeinse voorwerpen gevonden. Wie weet is dat bij de aanleg van de Noord-Zuidlijn nu ook gebeurd. Het gaat alleen veel te ver om te zeggen dat er al tweeduizend jaar bewoning is.”

De rand van het Rijk gaat over meer dan wat nu Amsterdam en Nederland is. Voor de auteurs strekten de Lage Landen zich in de Romeinse tijd uit over Noord-Frankrijk, België, Nederland en West-Duitsland, van de Somme tot aan de Weser. Ze laten hun geschiedenis in 57 voor Christus beginnen met Julius Caesar en zijn Gallische Oorlog.

De eerste tientallen pagina’s beschrijft u tot in detail de ene na de andere veldslag. Vanwaar deze speciale belangstelling voor militaire zaken?

AB: “Ik ben met de oorlog opgegroeid,met verhalen van een oom die naar Engeland is gevlucht om tegen de Duitsers te vechten; ik heb vroeger Airfix-soldaatjes gespaard, heb vrijwillig gediend in Libanon en een website over het Nederlands leger in 1939 en 1940 opgezet. Dus ja, ik heb er wel wat mee. Ik zie ook meteen op een kaartje met troepenbewegingen dat een pijl de verkeerde kant op staat.”

JL: “Ik heb met tegenzin mijn militaire dienst vervuld. Ik ben een generalist en hou niet speciaal van krijgsgeschiedenis. Eerlijk gezegd vind ik het niet het interessantste deel van de oude geschiedenis. Juist waar het interessant wordt schieten de oude bronnen tekort. Daarmee hoef je niet te proberen te schrijven zoals John Keegan dat in The Face of Battle voor Agincourt, Waterloo en de Somme heeft gedaan.” [over individuele oorlogservaringen, red.]

Toch kom ik uw naam regelmatig tegen op het internetforum Roman Army Talk.

JL: “Klopt, maar ik ben en blijf een generalist, die als het nodig is ook over krijgsgeschiedenis schrijft. En de geschiedenis van de Lage Landen in de Romeinse tijd is nu eenmaal een militaire geschiedenis.”

U beschrijft de campagne van Caesar alsof hij nauwelijks wist waaraan hij begon. Was het echt één grote improvisatie op onbekend terrein?

AB: “Het is interessant om je af te vragen wat Caesar kon weten. Van tevoren zal hij op basis van vooral overlevering en dus veel verkeerde informatie niet meer geweten hebben dan dat in de Lage Landen eb en vloed voorkwam, dat de dagen korter waren dan in Rome en dat er agressieve Galliërs en nog krijgszuchtiger Germanen woonden. Via handelaren zal hij extra informatie hebben ingewonnen. Bijvoorbeeld welke taal de verschillende volkeren spraken. Maar over bepaalde volkeren, van de Nerviërs aan de Schelde of de Atuatuci aan de Maas, wisten zelfs zijn verspieders weinig te vertellen. Dat liet Caesar in zijn geschriften ruimte voor een selectieve beschrijving van de plaatselijke levenswijze plus overdrijving: in de richting van wat Romeinen zouden associëren met vervaarlijke vijanden.”

Maar waarom blijkt er volgens u in de tijd van Augustus dan toch een gedachte achter de verovering van de Lage Landen en met name Germanië te zitten?

JL: “Het Imperium Romanum bestond uit een kern van Italië en gebieden met Romeins burgerrecht. Daaromheen lagen geromaniseerde en minder geromaniseerde provincies, met een buitenschil van vazalkoninkrijken en verdragspartners. Deze zone diende als buffer tegen de absolute barbarij. Door in Belgica wegen aan te leggen en steden te bouwen had Augustus dat vroegere perifere gebied opgenomen in de binnenschil. Er was dus een nieuwe beschermende buitenzone nodig en daarom moest door geweld en diplomatie het Overrijnse gebied in de buitenste schil opgenomen worden.”

Hebben jullie die theorie zelf bedacht?

AB: “Hij is losjes gebaseerd op de theorie van Edward Luttwak, een Amerikaans militair strateeg en historicus, die in The Grand Strategy of the Roman Empire (1976) stelde dat het Romeinse rijk uit een kerngebied bestond met daaromheen twee schillen met afnemende controle. Dat heeft hem veel kritiek van oud-historici opgeleverd. Luttwak is ook wel een beetje van ‘grote stappen snel thuis’, maar wij denken dat zijn theorie op Germanië heel goed toepasbaar is. De bouw van de forten langs de Rijn en bij Velsen past ook in die grotere strategie. Ze hebben allemaal te maken met de verovering van Brittannië. De Romeinen wisten: ‘Als we Brittannië hebben dan hebben we uit die hoek niets meer te vrezen, want daarachter is alleen oceaan.’ Voor de invasie moesten piraten die de kust onveilig maakten, zoals de Cananefaat Gannascus – die nog dienst had gedaan bij de Romeinse hulptroepen – worden uitgeschakeld.”

Cananefaten, Chauken, Tungren, Bataven, Cungernen, Friezen – er komt een waslijst aan stammen langs, maar het blijven vooral namen, want het boek is vanuit Romeins perspectief geschreven.

JL: “Het gaat inderdaad niet over de gemiddelde Tubant. Daar is door gebrek aan goede bronnen niets aan te doen. Maar in het laatste hoofdstuk trekken we de geschiedenis van de Romeinen wel iets langer door en gaan we in op Clovis en de Merovingische Franken, die na het vertrek van het Romeinse staatsapparaat in de vijfde eeuw het machtsvacuüm in wat Belgica was geweest hebben opgevuld. Drie eeuwen lang vormde Austrasië, het noordoostelijk deel van het Merovingische rijk, de machtige kern van de Frankische wereld. Zonder de Late Oudheid was Karel de Grote niet denkbaar geweest. De mensen zouden best trots mogen zijn op wat de Merovingen hebben bereikt.”

Trots? In uw nieuwsbrief hekelt u regelmatig mensen die zich in hun nationale trots gekrenkt voelen.

JL: “Oké. We zouden wat meer over onze ‘voorouders’ mogen laten weten, dat ze echt wel iets konden. Dat geldt ook voor Julius Civilis, de leider van de Bataafse Opstand in 69, die in het onderwijs van nu niet bekend is.”

Toen ze hem nog wel kenden, werd hij voor nationalistische ideeën misbruikt. Is het probleem dat het geschiedenisonderwijs tegenwoordig pas bij de Middeleeuwen begint?

AB: “In de Canon gaat het ook van hunebedden en Limes, hup, in één keer naar Willibrord.”

Daarvan kun je nog zeggen dat de Romeinse rijksgrens als kapstok kan worden gebruikt om ook de Romeinse tijd ervoor en erna te behandelen. Opvallender is toch dat de geschiedschrijving van de Romeinse tijd is overgenomen door de archeologen?

JL: “A.W. Bijvanck, hoogleraar oude geschiedenis in Leiden, was rond de oorlog de laatste, met zijn drie delen Excerpta Romana, de Bronnen der Romeinsche geschiedenis van Nederland. Hij heeft in feite geen navolgers gehad.”

AB: “Maar na de snel opeenvolgende opgravingen van de Romeinse forten van Valkenburg, Velsen en Vechten hebben de archeologen het overgenomen.”

JL: “Dan krijg je De Romeinen in Nederland (1972) van W.A. van Es – toen archeologen nog generalisten waren.”

AB: “Toen Nederlandse archeologen ook nog hun historische bronnen in het Latijn konden lezen. Dat zit niet meer in de opleiding.”

JL: “De Romeinen in Nederland is nog altijd onovertroffen. Alle Romeinse vindplaatsen kwamen aan bod.”

AB: “Dat is nu niet meer te doen, er zijn, vooral door het Verdrag van Malta uit 1992 en de invoering van de commerciële archeologie, zoveel meer opgravingen.”

JL: “Die groei van het aantal archeologische vondsten en dus nieuwe kennis is ook de reden geweest om het boek te schrijven. Het is eigenlijk een totaal herziene en geactualiseerde heruitgave van mijn tien jaar geleden verschenen boek De randen van de aarde.”

Maar nu hebt u Bosman als archeoloog erbij gevraagd. Hoe hebt u elkaar leren kennen?

AB: “Een vriend van Jona werkte bij hetzelfde bedrijf als ik en vroeg of ik net als hij cursussen bij Livius Onderwijs wilde geven.’

Hoe kijkt u als academicus aan tegen Lendering, die nadrukkelijk buiten de academische wereld opereert en populariseert?

AB: “Hij laat zien dat je ook heel goed buiten de universiteit wetenschap kan doen. Hij heeft verder geen last van de restricties waarmee ik te maken heb. ‘Vulgariseren’, populariseren, wordt in Gent niet serieus genomen.”

JL: “Ik kan inderdaad de nadruk leggen op het ‘teruggeven van de wetenschap aan de belastingbetaler’ en hoef me geen zorgen te maken om mijn publicatielijst. Daaruit volgt dat ik soms een grote mond moet opzetten, en gelukkig kan dat zonder bang te hoeven zijn geen subsidie meer te krijgen.”

U kunt nogal heftige kritiek hebben op dingen die een detail lijken. Niet voor niets doopte u een recent boekje, met enige zelfspot, ‘Spijkers op laag water’.

JL: “Iedereen maakt fouten, ik ook. Maar ik word boos als mensen die beter zouden moeten weten slordig met feiten omgaan. Het is toch bizar dat tientallen oud-historici schrijven dat de Romeinen Germanië konden ontruimen omdat er toch niets te halen viel? Dat gaat terug op een passage uit Tacitus, maar een autotochtje langs de Romeinse forten aan de Lippe volstaat om te zien dat het nooit waar kan zijn. Nee, het kan nog makkelijker: om te ontdekken dat er iets niet in de haak is hoeft een oud-historicus maar met een mediëvist te praten. Die zegt namelijk dat het middeleeuwse Duitsland zo machtig kon worden doordat het zoveel bodemschatten bezat. Dat van die armoede van Germanië hoeft dus helemaal niet rondgepompt te worden.”

En nu hebt u van diezelfde gevestigde wetenschap die u bekritiseert een prijs gekregen.

JL: “Bij de ontvangst heb ik gezegd dat ze niet bang hoeven te zijn voor pseudo-informatie van randfiguren. Veel gevaarlijker is dat universiteiten zelf foute informatie rondpompen. Archeologen baseren zich bij de vraag over wanneer een Romeinse stad stadsrechten heeft gekregen op historische literatuur uit 1926; oud-historici blijken op hun beurt een achttiende-eeuws voorbeeld te gebruiken voor een kaart van de Bataafse Opstand, waarop eilanden staan die, zoals archeologen hun hadden kunnen vertellen, er toen helemaal nog niet waren. Die verspreiding van achterhaalde kennis is overigens onvermijdelijk, want door de toegenomen informatie en specialisering kan niemand meer alles overzien en weten.”

AB: “Daarom is ons boek een pleidooi voor intensieve samenwerking tussen historici en archeologen.”