Blij met een nieuwe snoepreep

Martijn Katan

Als je een Mars doormidden breekt kun je zien dat hij van binnen uit twee lagen bestaat. De dikke onderste laag is een taaie zoete massa die noga heet. Er zit vooral suiker in, en verder wat eiwit en chocola. Het bovenste, dunne laagje is een half vloeibare toffee. Die bestaat uit suiker en vet. Voor het vet in de toffee gebruikte Mars palmolie, maar die is sinds kort vervangen door zonnebloemolie. Deze verandering werd door het bedrijf gebracht als een voedingskundige mijlpaal voor chocoladeproducten.

Zonnebloemolie is gezonder dan palmolie omdat zonnebloemolie minder verzadigd vet bevat. Daarom is de nieuwe Mars een tikkeltje gezonder dan de oude. Maar veel maakt het niet uit. Per Mars is één grammetje verzadigd vet vervangen door onverzadigd vet, de andere 5 gram zit er nog steeds in, en de nieuwe Mars bevat net zo veel suiker en calorieën als de oude. Mensen vinden snoeprepen lekker en ze zijn goedkoop, gemakkelijk mee te nemen, en te eten met één hand zonder kliederen. Daarom eet je er gauw te veel van en dat maakt dik.

Toch gaf dat persbericht mij een goed gevoel. Het leek dat er een beetje van de schade werd hersteld waar ik aan heb bijgedragen met een onderzoek van 20 jaar geleden. Ik deed het onderzoek met de beste bedoelingen, want voedingsonderzoekers willen zich graag nuttig maken. Helaas heeft goed bedoeld onderzoek vaak onbedoelde negatieve gevolgen. Ons onderzoek gaf namelijk een boost aan de vraag naar palmolie.

Het onderzoek zelf ging over transvet. Dat werd gemaakt door vloeibare plantaardige olie zoals zonnebloemolie te harden. Levensmiddelenfabrikanten gebruikten dat harde transvet graag om koekjes van te bakken, harde margarines te maken en patat in te frituren. Volgens de fabrikanten werd het cholesterolgehalte van het bloed door transvet niet verhoogd, maar de studies daarnaar waren verouderd en spraken elkaar tegen. Daarom deden wij een nieuwe studie. Mijn promovendus Ronald Mensink — inmiddels hoogleraar in Maastricht — en ikzelf gaven studentenvrijwilligers grote hoeveelheden transvet te eten en ontdekten dat transvet helemaal niet gezond was. Transvet verhoogde het slechte LDL-cholesterol in het bloed en verlaagde het goede HDL-cholesterol, en vergrootte daarmee vermoedelijk de kans op een hartinfarct. Binnen een paar jaar rapporteerden andere onderzoekers dat ze inderdaad meer hartinfarcten zagen bij mensen die veel transvet aten.

Toen dit duidelijk werd begonnen de Europese levensmiddelenfabrikanten meteen het transvet uit hun producten te verwijderen. De Amerikanen volgden 10 jaar later, want zij gaven het transvet niet zomaar op. Amerikaanse supermarkten lagen vol levensmiddelen met transvet, in het bijzonder margarine. Amerikaanse voedingswetenschappers hadden steeds weer verzekerd dat die margarine beter was voor je hart dan roomboter, en ze vonden het niet leuk om ongelijk te krijgen door een onderzoek uit Verweggistan-aan-de-Noordzee. Zo voelt buitenlands onderzoek voor menige Amerikaanse wetenschapper.

Daarentegen was er gejuich bij de zuivelindustrie nu bleek dat die zogenaamd gezonde margarine slechter was dan roomboter. Eindelijk gerechtigheid! Wie ook juichte was de minister of Primary Industries van Maleisië, en alle patriottische Maleisiërs juichten met hem mee. Maleisië was de voornaamste producent van palmolie, en dat was in Amerika in de ban. Roomboter was voor de Amerikanen nog tot daar aan toe, maar palmolie was on-Amerikaans en nog ongezond bovendien, dus palmolie kwam Amerika niet in. En nu bleek het Amerikaanse transvet slechter dan palmolie te zijn.

Over het enthousiasme uit Kuala Lumpur maakte ik mij destijds geen zorgen. Palmolie – of beter gezegd palmvet, want het is hard – zat vol verzadigd vet en iedereen wist dat dat slecht was voor je cholesterol. Die vloeibare olie moest voortaan ongehard in eten worden verwerkt; de hardingsfabrieken konden sluiten. Bij margarines lukte dat goed. Ook de pakjes met bak- en braadvet en frituurvet werden vervangen door flessen met olie, heel langzaam, want de consument mocht niet schrikken. Maar bij de koekjes ging het mis.

Om koek, cake, taart of croissants te bakken heb je hard vet nodig, althans dat was de mening. Roomboter is zeer geschikt maar duur en ongezond, en daarom gingen fabrikanten op zoek naar een ander hard vet zonder het gevreesde transvet. Het moest goedkoop zijn en liefst plantaardig, dat verkoopt beter. Dan kom je uit op palmolie. Dus voeren er elk jaar meer tankschepen met verwarmde tanks vol gesmolten palmolie de haven van Rotterdam binnen, want dat is het centrum van de palmoliehandel.

Onze ontdekking dat transvet slecht is stimuleerde dus geheel tegen onze bedoeling in de aanplant van oliepalmen. Ook andere factoren brachten de palmolieproductie in een stroomversnelling.

Aan de aanbodkant had Maleisië de rest van Zuidoost-Azië laten zien dat je miljarden kunt verdienen met het aanplanten van oliepalmen, want onder de tropische zon groeien die als kool. Tussen 1997 en 2005 verdubbelde het areaal aan oliepalmen. Die groei leidde tot grootschalige verwoesting van tropisch regenwoud, om te beginnen in Maleisië en vervolgens in Indonesië, waar gewetenloze exploitanten de oerwouden van Borneo en Sumatra in brand staken om ruimte te maken voor oliepalmen. Ook andere tropische landen vervingen steeds meer oerwoud door olieplantages om aan de groeiende vraag te voldoen.

Aan de vraagkant speelde meer mee dan de vervanging van transvet. Naarmate een land rijker wordt, willen mensen minder rijst en bonen eten en meer vetrijke producten, en palmolie is het goedkoopste vet. Daarom gaat er inmiddels een wassende stroom van palmolie richting China en India waar er westers pleziervoedsel van wordt gemaakt. De nieuwe economieën kopen ook steeds meer shampoo, bodylotion, afwasmiddel en zeep en ook daarvoor is palmolie een aantrekkelijke grondstof.

Verder ontstond er een enorme vraag naar palmolie als biobrandstof. Plantaardige olie brandt goed. Met het stijgen van de aardolieprijs en van het klimaatbewustzijn wordt er steeds meer palmolie verbrand in elektriciteitscentrales en in automotoren, want dat klinkt duurzaam en groen. Het milieuvriendelijk imago van biobrandstof is echter misleidend, want de productie ervan leidt tot aantasting van natuurgebieden en uitputting van water, grond en kunstmest. Bovendien helpt biobrandstof weinig tegen de uitstoot van broeikasgassen, omdat bij de teelt van olieplanten en de productie van biobrandstof grote hoeveelheden aardgas en aardolie worden verbruikt die je net zo goed direct in je tank kunt stoppen.

De voorvechters van biobrandstof hebben dus meer boter op hun hoofd dan Mensink en ik. Maar toch ben ik blij dat Mars voortaan zonnebloemolie uit Frankrijk of Bulgarije in de toffee stopt in plaats van palmolie uit Indonesië. Voor de slagaders van de Mars-eter is het effect beperkt, maar alles wat de verwoesting van de tropische oerwouden vertraagt is meegenomen.

Voor voetnoten zie mkatan.nl

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.