Alle populisten waren katholiek

De splijting in het CDA ontstond door de ontzuiling van katholieken. Fortuyn, Wilders, Marijnissen en Roemer waren katholiek. Om kiezers terug te winnen moet het CDA voortbouwen op de christelijk humanitaire traditie.

Journalist en historicus

De crisis waarin de Nederlandse politiek zich anno 2010 bevindt, is een rechtstreeks gevolg van de katholieke ontzuiling. De scheiding der geesten in het CDA over samenwerken met Geert Wilders is voor een deel een scheiding tussen vaak belijdende protestanten en religieus minder actieve katholieken die toch hechten aan bepaalde culturele tradities. Vooral in het zuiden zijn veel ex-katholieke kiezers overgestapt van het CDA naar de PVV. Om hen weer naar het midden te trekken zal het CDA zich opnieuw moeten uitvinden door een niet-moraliserende visie te ontwikkelen die de christelijke traditie met de seculiere moderniteit verbindt en daardoor ook de tegenstelling tussen platteland en stad kan overwinnen.

In 1963 telden de drie partijen die in 1980 opgingen in het CDA en bij de verkiezingen van 1977 al één lijst vormden, nog 76 zetels – precies evenveel als VVD, PVV en CDA nu samen hebben. De KVP (Katholieke Volkspartij) behaalde in haar eentje 50

Vervolg CDA: pagina 2

De mensen wilden niet door het CDA worden beknord

zetels (eenderde van de Tweede Kamer), de protestantse ARP (Anti Revolutionaire Partij) en CHU (Christelijk Historische Unie) verworven er ieder 13.

Daarna ging het snel bergafwaarts. In 1967 kwam een eind aan een halve eeuw confessionele meerderheid en binnen negen jaar, in 1972, was de KVP vrijwel gehalveerd: 27 zetels nog maar. Samen behaalden de drie confessionele partijen dat jaar nog 48 zetels. Toen ze vijf jaar later onder Dries van Agt – die heden ten dage mirabile dictu geregeld wordt weggezet als lid van de ‘linkse kerk’ – onder de noemer Christen Democratisch Appèl (CDA) de verkiezingen ingingen, wisten ze er zelfs nog een zetel bij te winnen. Dat was in de toenmalige omstandigheden een glorieus resultaat.

Tijdens de Lubbers-jaren werd, met uitschieters naar 54 zetels in 1986 en 1989, de structurele neergang verhuld die in 1994 pijnlijk aan het licht kwam: na een leiderschapswisseling wist het CDA niet meer dan 34 zetels te behalen, vier jaar later slechts 29. Dat Jan Peter Balkenende met een oprecht burgerlijk en moralistisch imago – ‘fatsoen moet je doen’ – drie keer (in 2002, 2003 en 2006) de neergaande lijn wist om te buigen door boven de veertig zetels uit te komen was knap. Maar dit jaar bleek hoezeer de sterfte van de traditionele kerkelijke aanhang was doorgegaan: met 13,6 procent van de stemmen kreeg het CDA nog een schamele 21 zetels.

Inmiddels is de samenstelling van de fractie eenzijdig geworden. Hooguit eenderde deel van de fractie heeft een katholieke achtergrond. De kiezers weten dat niet precies, maar ze voelen wel aan dat er een protestantse wind waait.

De katholieke ontzuiling heeft een gat laten vallen. Bijna alle populistische bewegingen sinds de jaren 60 hebben (op die van de hervormde ‘boer’ Hendrik Koekoek na) dan ook een katholieke achtergrond. Hans van Mierlo, die met zijn wandelfilmpje over democratisering uit 1966 het beginschot gaf, was net als Lubbers een jezuïetenleerling. De oorsprong en aanhang van de ouderenpartijen in 1994 – de eerste uiting van het nieuwe populisme – concentreerden zich rond Eindhoven. Hoewel hij intens in de ban van Marx, Lenin en Mao was geweest, werd LPF-leider Pim Fortuyn in 2002 vanuit de Rotterdamse kathedraal begraven. De SP vond haar centrum in het Brabantse Oss en de aansprekende leiders, Jan Marijnissen en nu Emile Roemer, zijn roomse Brabantse dorpsjongens. Hun partij vormt vooral de voortzetting van de linkervleugel van de oude KVP, die met Marga Klompé en Gerard Veldkamp, belangrijke vormgevers van de verzorgingsstaat. Ook Geert Wilders is van huis uit een katholieke jongen uit Venlo. Hij blijkt enorm te appelleren aan het voormalige katholieke electoraat in Limburg, Brabant én Volendam. De winst van de PVV ging per saldo volledig ten koste van het CDA.

Het merkwaardige is dat de seculiere PVV niet alleen een negatieve boodschap heeft – tegen de islam – maar ook een positieve: vóór de verondersteld joods-christelijke traditie. Daarin ligt de belangrijke les voor het CDA. De paradox is namelijk dat die partij enerzijds alleen een vaste aanhang onder de slinkende groep trouwe kerkgangers wist te behouden, maar dat ze tegelijk slechts versluierend een beroep op het christendom durfde te doen. Dat moet andersom.

De christen-democratie is de enige Nederlandse politieke stroming die vanaf 1980 gepoogd heeft een eigen nieuwe politieke filosofie te ontwikkelen. Vier kernbegrippen werden daarbij steeds opgevoerd: gerechtigheid, solidariteit, gespreide verantwoordelijkheid en rentmeesterschap. In cursussen werd dat kwartet er bij bestuurders grondig ingestampt, maar in de alledaagse praktijk konden ze er bar weinig mee. Ze waren te abstract. In verkiezingstijd hadden de vier centrale thema’s geen enkele zeggingskracht. Waar het op neerkwam, was dat het CDA de eigen werkzaamheid van maatschappelijke actoren propageerde en zich zo een positie tussen het staatsgerichte denken (etatisme) van de sociaal-democratie en het individualisme van het economisch liberalisme probeerde te verwerven. In concreto betekende het dat men vond dat de overheid allerlei dingen vooral niet moest doen: in feite een onzekere, aarzelende omhelzing van een anti-etatisme, dat praktisch nauwelijks verschilde van economisch liberalisme.

Wat het CDA nu te doen staat, is het heroveren van het naar de PVV weggelopen electoraat. Praktisch heeft de partij daarvoor alles in huis: vooral een stevige traditie op bestuursgebied, ook op lokaal en provinciaal niveau, waar de PVV helemaal niets tegenover kan stellen. Nu komt het aan op overtuigingskracht. Het CDA zal zich moeten richten op de positieve morele intuïties van de traditionele middenklasse. Populistisch vijanddenken kan alleen maar bestreden worden door zelf alternatieve, positieve doelen te formuleren. De christen-democraten kunnen daarmee beginnen door op een ongedwongen wijze de christelijke erfenis van onze seculiere cultuur te accentueren. Het CDA was een meester in het gebruik van mystificerende termen als de ‘inspiratie’ die het evangelie zou bieden. Het nadeel was alleen dat zowel gelovigen als ongelovigen de holheid ervan doorzagen. Van de PVV kan men leren dat een onomwonden beroep op de eigen christelijke erfenis veel meer indruk maakt; het gaat immers om wat kerkelijken en seculieren met elkaar delen. En de meeste mensen zijn niet erg kerkelijk, maar hebben vagelijk wel iets met religie – en koesteren in ieder geval de dorps- of stadskerk in het centrum. De Passiespelen in Tegelen zijn altijd nog ongekend populair. De Sint Servaasprocessie in Maastricht trekt grote massa’s mensen.

Iedereen die een beetje thuis is in de Europese cultuurgeschiedenis, beseft dat het ongenuanceerd is om christendom en humanisme tegenover elkaar te stellen. Beide zijn altijd met elkaar verweven geweest. Het christendom heeft zijn eigen tegenkrachten opgeroepen. Door de specifiek Nederlandse verzuiling is het christendom in Nederland een aangelegenheid van bepaalde partijen geworden in plaats van een gedeeld patrimonium van onze cultuur. Juist door de christelijke traditie te beklemtonen zou het CDA nu een echte doorbraakpartij kunnen worden, die ook de moderne, geseculariseerde burger – in de dorpen én de steden – kan aanspreken.

Het was een van oorsprong Syrische islamitische hoogleraar, de socioloog Bassam Tibi, die tegen het eind van de jaren 90 in Duitsland het begrip Leitkultur introduceerde. Hij doelde op de gedeelde Europese – en dus niet Duitse – basiswaarden. Het begrip werd snel misbruikt om anderen uit te sluiten, maar het op zich juist een bij uitstek open term. Wie een leidende of dominante cultuur definieert, impliceert daar immers mee dat ook andere culturen in een minderheidspositie welkom zijn. In die zin ligt er vooral een uitnodiging in. Wie zeker van zijn eigen identiteit is, voelt zich niet snel bedreigd en gunt anderen gemakkelijker hun eigenheid.

Daar ligt ook de uitdaging voor het CDA. Door op een ongedwongen wijze de gedeelde christelijk-humanistische erfenis van onze samenleving positief te benadrukken, kan de irreële angst voor de bedreiging door het vreemde weggenomen worden. Het CDA zou daarbij met andere partijen vooral moeten uitzoeken wat waard is om te bewaren en wat overbodige ballast is. Het beruchte godslasteringsartikel (147 uit het Wetboek van Strafrecht) zou het zelf op moeten ruimen: CHU-woordvoerder J.R. Slotemaker de Bruïne, een vroom godgeleerde, was in 1932 al tegen: niet-gelovigen konden immers niet de intentie hebben God te smaden. Burgers zijn gehecht aan de eigen culturele tradities. De tijd dat mensen zich door meneer pastoor lieten gezeggen, ligt ver achter ons. En ze hebben ook geen zin om zich door een politieke partij de les te laten lezen. De christen-democratische visie hamerde er op dat de maatschappij dingen zelf moest regelen. Juist dat leidde onbedoeld tot het moralisme van Balkenende: in plaats van te vertellen welke stappen hij als politicus ging nemen, hield hij mensen het belang van waarden en normen voor, vage termen zonder heldere inhoud. Dat werkte even, maar mensen willen niet doorlopend vanuit Den Haag beknord worden.

Het populisme is de grootste concurrent van het CDA. Het is een uitvloeisel van een mediawerkelijkheid, waardoor concrete problemen in Amsterdam-Geuzenveld of de Utrechtse wijken Zuilen of Kanaleneiland ineens deel worden van het leven van mensen in Moergestel, Winschoten of Sittard. Het populisme is vooral een kwestie van reclame: aandacht trekken door te hameren op thema’s die mensen weliswaar van tv en internet kennen, maar die met hun alledaagse leven weinig te maken hebben. Bij dat dagelijkse leven zal het CDA aan moeten sluiten.

Mensen leven primair in hun eigen dorp, stad en regio. Het platteland is de laatste decennia enorm geëmancipeerd en ook in de media veel meer aanwezig met eigen cultuuruitingen. De tegenstelling tussen stad en platteland is daardoor veel geringer geworden. Als het CDA aansluiting bij de concrete leefwereld van mensen weet te vinden, zou het ook in de grotere steden weer voet aan de grond kunnen krijgen.

Het idee van de verantwoordelijke maatschappij met de nadruk op democratisering van maatschappelijke instellingen was te abstract. Die instellingen zijn vaak met medewerking van het CDA groot en onoverzichtelijk geworden. Mensen voelen dat zij de greep erop kwijtraken. Van het populisme kan het CDA leren dat je gewoon rechtstreeks moet vertellen hoe je als overheid problemen inzake zorg, onderwijs en veiligheid wilt aanpakken.

Met rechts en links heeft dat weinig te maken. Het populisme heeft laten zien dat rechtse en linkse thema’s moeiteloos verbonden worden en het CDA zou zich dan ook zelfbewust als een partij met een veelheid aan concrete ideeën moeten presenteren. Er is vaak gelachen om de ‘VOC-mentaliteit’ die Balkenende propageerde en misschien was zijn voorbeeld niet in alle opzichten gelukkig, maar hij zat wel degelijk in de goede richting.

De afgelopen weken hebben getoond hoe schadelijk het onderdrukken van echt debat in het CDA is geweest. De afgelopen jaren zijn onafhankelijke geesten aan de kant gezet. Het gevolg was dat kritiek niet tot discussie leidde, maar tot verdachtmakingen, waarbij een groot deel van de oude garde het ontgelden moest. Mogelijk dat de grote crisis die de partij nu doormaakt tot bezinning kan leiden.

Als het CDA werkelijk let op wat er aan positieve morele intuïties schuilt in het traditionele deel van de maatschappij, heeft de partij grote kansen. Geen onherkenbare grootschaligheid maar kleine stapjes vooruit in de traditie. Het CDA zou een Nederlandse pendant van de Beierse CSU of de Engelse Conservatieve Partij kunnen worden. Door op een moderne, niet-moraliserende manier de erfenis van het christendom te verbinden met de zegeningen van de seculiere moderniteit zou het CDA eindelijk de conservatieve, traditionele volkspartij kunnen worden waar veel moderne mensen vertrouwen in willen stellen.

Wetenschap: De nagalm van het orgel. Christendemocratie, populisme en de behoefte aan sociale binding.