Zwijgen als een Turk

In grote delen van Oost-Turkije bestaat geen geschiedenis, alleen politiek. Een Britse correspondent vestigt zich in Varto om greep op het land te krijgen. Hoe, vraagt ook onze Turkije-correspondent zich af.

Straatleven in Diyarbakir, Oost Turkije. Foto AP/Burhan Ozbilici A group of beggars sit by a street in Diyarbakir city center Monday, Feb. 22, 1999, southeastern Turkey. Diyarbakir is housing thousands of people who fled their villages during clashes between Turkish security and rebels of the Kurdistan Workers Party or PKK. The Turkish government announced a new economic package for the country's underdeveloped southeast after it captured the chief of PKK, Abdullah Ocalan in Kenya. (AP Photo/Burhan Ozbilici) ASSOCIATED PRESS

Christopher de Bellaigue: Rebel land. Among Turkey’s Forgotten People. Bloomsbury Publishing, 288 blz. € 13,-.

Christopher de Bellaigue denkt het hoogst haalbare te hebben bereikt voor buitenlanders in den vreemde: assimilatie. Hij spreekt Turks als de Turken en weigert zich te laten bijstaan door tolken of fixers, zoals de meeste correspondenten, ik ook, in dit land doen. De correspondent van onder meer The Economist en The New York Review of Books is zo aangepast dat hij zelfs begint te schrijven als de Turken. Kritiekloos herhaalt hij in een van zijn stukken de lezing van Turkse auteurs dat er in 1915 hooguit een half miljoen Armeniërs zijn omgekomen, nog geen derde van de schattingen die Armeniërs en veel experts hanteren. Pas als een brievenschrijver hem op die tekortkoming wijst, beseft hij het gevaar van zijn assimilatie in de Turkse republiek. ‘Ik had geholpen het Turkse verleden te verbergen’, schrijft hij schuldbewust in Rebel Land, Among Turkey’s Forgotten People.

Hij moet weg, weg van zijn comfortabele appartement met uitzicht op de Gouden Hoorn en het Europese achterland, weg van zijn Kemalistische kijk op modern Turkije. Hij wil het ware verhaal vertellen over de wording van Anatolië. Hij wil de mythes en de propaganda ontrafelen waarmee de geschiedenis van zijn geliefde Turkije werd herschreven. Hij wil naar het oosten, naar het land van de rebellen.

Verraad

Daar wonen de minderheden wier bestaan de republiek Turkije sinds de wording in 1923 probeert te vergeten: het land van Koerden, Alevieten en Armeniërs. Geschiedenisboeken over dit deel van het land bestaan niet omdat de feiten over de afgelopen eeuw hier niet als geschiedenis worden gezien, maar als politiek. ‘Wie wil weten wat er gebeurt, moet er heen.’ Die missie is een daad van verraad, beseft de auteur, ‘aan het Turkije dat mij zoveel had gegeven.’

De auteur, geprezen voor zijn vorige boek over Iran, In the Rose Garden of the Martyrs, zet hoog in. Hij gaat de geschiedenis hervertellen zonder boeken uit bibliotheken, zonder hulp van Koerdische of Armeense lobby’s, maar aan de hand van de verhalen van de vergeten mensen. ‘Van hen zou ik mijn verhaal krijgen, gruizig en ongefilterd, van hun liefdes en hun verliezen en hun zonden.’

Zijn standplaats wordt Varto, een district in het zuidoosten van Turkije, een mengelmoes van de vergeten minderheden. Hij is er niet welkom. Hij had gerekend op de tegenwerking van de ambtenaren van de staat die hem schaduwen bij elke stap die hij neemt. Maar ook de onderdrukten, de Koerden, de Armeniërs en Alevieten, ontvangen hem met wantrouwen. Wat moet die Turkssprekende Brit hier? Waarom is hij zo geïnteresseerd in het lot van een dorp zo ver van de bewoonde wereld? Dat hij geen schrijver is, zoals hij zelf beweert, maar een geheim agent voor de Britse staat, daarover is bij de bewoners van Varto geen twijfel mogelijk.

Dit veelbelovende begin wekt de indruk dat De Bellaigue die hindernis zal weten te nemen. Hij introduceert de karakters in het dorp die symbool staan voor de grote politiek van Turkije. Zo ontmoet hij de energieke burgemeester van het dorp Demir Celik. De man is een Aleviet maar lid van de DTP, de Koerdische partij die eind vorig jaar door het Constitutionele Hof werd verboden wegens vermeende banden met de militante PKK. ‘Een man vol details over hoe je zo’n klein dorp runt’. Ook wordt de nationalistische kapitein van de gendarmerie geïntroduceerd. Hij is gestationeerd in het vijandige oosten om erop toe te zien dat niemand de ondeelbaarheid van de staat bedreigt. Dit is een man die heilig gelooft dat de tijd heeft stilgestaan sinds de vernederende opdeling van het Ottomaanse Rijk, en dat iedere buitenlander het op Turkse grondgebied heeft voorzien.

Maar meer dan die karakterschets geeft de auteur niet. Ze laten hem niet toe. In zijn zoektocht naar verhalen stuit hij overal op stilzwijgen. Als hij in Varto vraagt: hoeveel Armeniërs woonden er aan het begin van de vorige eeuw in dit dorp, of wat gebeurde er hier in 1915, dan antwoorden de dorpelingen: ik weet het niet. Of ‘er woonden geen Armeniërs’.

Dit stilzwijgen wijt hij niet aan de diep gekwetste aard van dit land, dat keer op keer wordt vernederd door decreten van andere landen die eisen dat de Turken de Armeense genocide erkennen. (Dat is een belediging die de Turkse republiek, erfgenaam van het Ottomaanse Rijk, volgens De Bellaigue ‘logischerwijs’ kan voelen.) Maar volgens hem komt de stilte voort uit een onvermogen met de waarheid om te gaan. ‘In deze stilte ligt niet de amnesie van een beledigde natie, maar van individuen tegenover een waarheid die ze kan overweldigen. De stilte is er niet een van belediging, maar van angst.’

Maar met stilte schrijf je geen boek vol. Ook deze getalenteerde schrijver niet. De worsteling met de autoriteiten, de scherpe waarnemingen uit het dorp vormen het beste deel van het boek. Alleen moet hij algauw terugvallen op andere bronnen dan zijn ogen en oren. Rebel land wordt dan vooral een goed geschreven en doorwrocht geschiedenisboek. Hij levert bewonderenswaardige research, die soms de leesbaarheid in de weg staat.

Wees worden

De Bellaigue respecteert het standpunt van Varto en achterhaalt welke rol het dorp speelde in de voorgaande bloedige eeuw. Van de Armeense genocide naar de wording van de Republiek, naar de roerige jaren zeventig van linkse actiegroepen en gewelddadig oproer. Varto biedt De Bellaigue een uniek doorzicht op die grote ontwikkelingen in Turkije waaraan ook deze onbenullige stip op de kaart niet kan ontsnappen. Hij vergeet daarbij ook de migranten niet, die Varto inruilden voor Europa. Hij zoekt ze op in hun kleine appartementen in Kreuzberg, waar ze, generaties nadat ze afscheid namen van hun vaderland, nog steeds hun Turkse paspoort dragen. ‘Hoe belastend is het als je zoveel moeite hebt gedaan om een wees te worden, je nog steeds wordt omarmd door de ouder die je afwees.’

De Bellaigue probeerde zelf ook wees te worden, hij spendeerde dertien jaar buiten zijn vaderland, vooral in Turkije en Iran. Zijn vertrek uit Varto bezegelt het einde van dat nomadenbestaan. Hij keert terug naar Engeland, ‘om te zien of ik daar nog thuishoor’. Varto verlaat hij met tranen. De reden is, schrijft hij, ‘omdat ik niet in staat was Varto te stoppen en te voorkomen dat het zou veranderen zonder dat ik er bij ben om het vast te leggen.’ Maar in zijn verdriet klinkt ook onmacht door, omdat Varto hem niet echt binnenliet terwijl hij van zijn eigen vaderland vervreemdde. ‘Dertien jaar was lang genoeg om een vreemdeling te worden.’