Wat vertelt je moeder me nu, dame?

Het talent van Sanneke van Hassel komt het best tot zijn recht op de korte baan.

Maar dat betekent niet dat ze uitsluitend een verhalen-schrijfster is, blijkt uit Nest.

Vaak gebeurt het niet dat een schrijver van korte verhalen doorbreekt. Het lukte Sanneke van Hassel (1971), die met IJsregen en Witte veder zoveel lof (en de BNG Nieuwe Literatuurprijs 2007) vergaarde dat er eerder dit voorjaar in Amsterdam zelfs een driedaags festival werd gehouden onder de titel ‘Hotel van Hassel’. Thema: het korte verhaal, want een goede korteverhalenschrijver is in Nederland al snel een ambassadeur van het genre, dat commercieel bitter weinig perspectief biedt en dat inmiddels ook al is uitgesloten van de Libris Literatuurprijs, tot schande van de beleidsbepalers.

Je zou bijna denken dat Sanneke van Hassel daarom nu ook maar een roman publiceert, ware het niet dat de schrijfster drie jaar geleden al in deze krant aankondigde aan een ‘korte roman’ te werken. Nest is een roman die veel gemeen heeft met de verhalen uit Van Hassels bundels. Goede bedoelingen hebben in haar werk nogal eens onbedoelde gevolgen en Nest draait om de moeder van alle onbedoelde gevolgen: een tienerzwangerschap. En dan niet eentje veroorzaakt in een grootstedelijke garagebox, maar een die tot stand komt naast vaders glimmende Rover in een wijk die de naam Schoonoord draagt.

Maar de wetten van de daad zijn overal hetzelfde en als de zestienjarige Julia pas na vijf maanden ontdekt dat ze in verwachting is, slaat de paniek in haar omgeving toe. Wat het kind zelf van de situatie vindt, wordt door Van Hassel slim buiten beeld gehouden: in korte hoofdstukken laat zij een tiental personages aan het woord: de ouders van Julia, haar zus, buren, een arts, de aanstaande vader van het kind en enkele randfiguren. Maar het meisje zelf krijgt pas in het slothoofdstuk het woord.

In het Schoonoord waar Julia opgroeit, regeert de schijn. De mannen spreiden hun beleggingen, de vrouwen tuinieren. Soms zitten de mannen en de vrouwen aan elkaar, niet per se aan de man of vrouw met wie ze getrouwd zijn. Een wereld ook waarbij aandacht voor het groeien en bloeien van planten nogal bruut contrasteert met het onvermogen dat de betrokkenen bespringt wanneer er nieuw mensenleven ontstaat.

Dat geldt in hoge mate voor de ouders van Julia. Haar vader is een selfmade jurist die zijn tijd verdeelt tussen zijn werk, zijn gezin en een vrouwelijke collega. Op een wat ander niveau verdeelt deze Heppe zijn aandacht tussen Pouilly Fumé, champagne en reguliere bourgogne. Zijn reactie op de ongewenste zwangerschap is oplossingsgericht: een late abortus, adoptie, wat dan ook, als het maar snel gaat. Die brute haast is Julia’s moeder Belia vreemd, maar ook zij wil snel van de kwestie verlost zijn: is er nog een verhullende trui tegen de spiedende ogen van de buren? Julia’s zus Malou heeft andere zorgen, bijvoorbeeld het steeds weer uitkiezen van het precieze moment waarop zij haar ouders de vraag der vragen (‘Mag ik vanavond uit?’) zal stellen. Waarbij het pijnlijke is dat zij alle drie ook bij vlagen blijk geven van empathische gevoelens, maar dat die impulsen maar niet tot handelen willen leiden.

Nest leest als een trein, maar het grote plaatje van de roman is niet heel bijzonder: de morele leegte in het bestaan van de driemaal-modale mens is al vaak beschreven en de wereld van heesters en hockey is wat dat betreft een easy target. Aan een zekere voorspelbaarheid ontkomt Nest dan ook niet, ook al omdat Van Hassel er – even knap als keurig – bij al haar personages voor waakt om ze in karikaturen te veranderen. De roman is aan de ernstige kant, al zorgen de puberbeslommeringen van de botte Malou hier en daar voor vrolijkheid.

De klasse van Van Hassel toont zich in de details, in de wijze waarop ze in een paar pagina’s een personage helemaal als mens kan neerzetten. Neem de zes pagina’s waarin vader Heppe te horen zal krijgen dat zijn dochter in verwachting is, die beginnen met: ‘Als ik binnenkom breek ik m’n nek over de rugzak van een van de dames.’ Die zin verraadt al een dagelijkse verstoordheid, vooral door dat ‘dames’. Drie regels verder ziet hij zijn vrouw en dochters op de bank zitten. ‘Malou bijt op haar lippen, haar ogen zijn groot. Er is iets aan de hand. Meestal kijkt Lou zo ongeïnteresseerd mogelijk’, waarmee de ernst van de situatie wordt beschreven, het een en ander over de verhoudingen binnen het gezin duidelijk wordt en blijkt dat de vader misschien een zak is, maar wel een opmerkzame zak. Wat niet wegneemt dat hij eerst naar de keuken loopt. Wat volgt is een scène waarin hij in een ruzieachtige sfeer van zijn vrouw te horen krijgt wat er aan de hand is, telefoon ontvangt van zijn minnares en van woede twee appels (uit eigen tuin!) kapot gooit op de keukenvloer. Samen met Belia veegt hij ze wel meteen weer op. ‘Een team, dat zijn we altijd gebleven, ondanks alles. Dat is onze kracht.’ Het hoofdstukje zou zo als apart kort verhaal kunnen worden gepubliceerd, tot en met het moment waarop Heppe dan eindelijk op zijn huilende dochter afstapt. ‘„Zo, Julia.” Ik ga voor haar staan. „Wat vertelt je moeder me nu?” Ze kijkt me niet eens aan.’

Zo is Nest een aaneenschakeling van sterke scènes, waarin Van Hassel duidelijk maakt dat ze sinds Witte veder nog weer aan trefzekerheid heeft gewonnen. En dat haar talent misschien het best tot zijn recht komt op de korte baan, maar dat ze niet uitsluitend een verhalenschrijfster is.

Zie ook: www.sannekevanhassel.nl

Sanneke van Hassel: Nest. De Bezige Bij, 190 blz. € 16,90