Voodoo met beelden en geesten uit het verleden

Louise Burgeois: Çell XXVI' (detail), 2003 (staal, stof, aluminium, roestvrij staal, hout).

Beeldende kunst Double Sexus. Hans Bellmer en Louise Bourgeois. T/m 16 jan. Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Di. t/m zo 11-17u. Inl: www.gemeentemuseum.nl *****

De tentoonstelling Double Sexus van Hans Bellmer en Louise Bourgeois is er zo een waarbij Sigmund Freud zijn vingers zou hebben afgelikt. De expositie is een kookpot van angst, macht, wellust, onvervuld verlangen en agressie, maar tegelijk zijn al die emoties zo verbeeld dat je je er als toeschouwer niet van afkeert, maar er langzaam, sluipend door wordt gegrepen.

Soms is er een uitzondering: een foto van Bellmer bijvoorbeeld, waarop diverse delen van een (vrouwelijke) pop over een trap liggen uitgestrooid, alsof het wezen na een venijnige, fatale duw uit elkaar is gevallen. Of Bourgeois’ geweldige Filette: een dikke, vlezige penis (inclusief ballen) gemaakt van rubber, die met onverholen plezier is opgehangen door een stuk ijzerdraad door de eikel te priemen. Dit is geen sublimering meer, hier lijken beide kunstenaars voodoo te bedrijven, alsof ze hardhandig afrekenen met beelden en geesten uit het verleden. Alsof kunst werkelijk het leven kan bezweren. Er zijn tentoonstellingen met slappere drijfveren gemaakt.

Om misverstanden te voorkomen: Bellmer (1902-1975) en Bourgeois (1911-2010) kenden elkaar niet. Het is zelfs twijfelachtig of ze ooit kennis van elkaar hebben genomen.

Bellmer was een Duitser die begin jaren dertig in Parijs belandde. Daar raakte hij gefascineerd door poppen, ‘mechanische mensen’, waarmee hij beelden en foto’s ging maken die in de kringen van het surrealisme – waar ze nogal zijn gesteld waren op het onderbewuste – in vruchtbare aarde vielen.

Bourgeois werd geboren in Frankrijk, verhuisde in 1938 naar New York en dreigde aanvankelijk een kunstenaar van twaalf ambachten, dertien ongelukken te worden. Tot ze in het midden van de jaren vijftig haar vorm vond: abstracte, vaak gestapelde sculpturen vol verwijzingen, naar het werk van Brancusi bijvoorbeeld, maar ook naar totems. Later werden haar beelden menselijker, maar begon Bourgeois ze ook meer te misvormen en te verminken. Precies zoals de poppen in de foto’s van Bellmer.

Juist doordat de twee kunstenaars los van elkaar werkten, maar hun vorm en thematiek op elkaar lijken, is het verleidelijk je te concentreren op hun overeenkomst: de worsteling met een traumatische jeugd. Bourgeois werd in haar jonge jaren psychisch gemangeld tussen haar overspelige vader, haar jaloerse moeder en haar vaders minnares, die als lerares voor Louise bij het gezin bivakkeerde. Van Bellmer weten we dat hij onder een tirannieke vader leed.

Die combinatie maakt het verleidelijk Double Sexus als een soort psychoanalytisch verwerkingsfeestje te zien – kijk naar al die zwevende en zwervende hoofden, naar al die armen, pikken, rompen en vagina’s. Kijk naar alle verminkingen die ze te verwerken krijgen. Kijk, vooral, naar de zaal die vol staat met beelden die verwijzen naar Diana van Efese, de Godin die soms wel tien borsten torste. Zoveel lichaamsdelen, maar nooit een volledig mens – please welcome... Mr. Freud!

Gelukkig zijn ze bij het Gemeentemuseum zo slim geweest om de psychologische overeenkomst tussen Bellmer en Bourgeois niet al te zeer te benadrukken.

Wat ze wel hebben gedaan is beter: de artistieke overeenkomsten worden getoond (Diana van Efese, een voorliefde voor protheses, poppen en aangetaste lichamen, hun psychologische drijfveer) en de verschillen worden niet onder stoelen of banken gestoken.

Zo komen beide kunstenaars ook beter tot hun recht – al profiteert Bourgeois daar meer van dan Bellmer. Van hem zijn vooral de foto’s uit het midden van de jaren dertig indrukwekkend. In die jaren bouwde Bellmer poppen met gips, hout, kleding en haar om die vervolgens te fotograferen – de foto was het echte werk.

Die tweetrapsraket werkt uitstekend omdat Bellmer op deze manier perfect het midden vindt tussen pop en mens, tussen identificatie en afstand. Heel even denk je dat de verminkte poppen mensen zijn (wat vooral komt door de ogen) en hoe kort die identificatie ook duurt, een gevoel van verbondenheid en empathie raak je niet meer kwijt, wat alleen maar pijnlijker wordt als je ziet wat voor (perverse) toeren Bellmer met ze uithaalt.

Daar staat tegenover dat zijn tekeningen en etsen minder sterk zijn. Technisch zijn ze vaardig gemaakt, maar inhoudelijk blijft Bellmer te vaak hangen in semisurrealistische masturbatiefantasieën die vooral plaatsvervangende schaamte oproepen. Al zullen Bellmers liefhebbers dat ongetwijfeld als hun kracht beschouwen.

Maar juist door die tekeningen realiseer je je ook waarom Bourgeois zo goed is. Hoe vaak door de jaren heen al is benadrukt dat haar oeuvre wortelt in haar jeugd, hoe zeer ze ook gedreven schijnt te zijn door afkeer en wraak, haar beelden overstijgen zulke particuliere emoties met gemak.

Of het nu Filette is of een marmeren ‘bollenveld’ als Avenza (1968/69) of de prachtige Cell XXVI (terecht door het Haags aangekocht), Bourgeois slaagt er voortdurend in tegenstrijdige, ongrijpbare, bijna dierlijke sentimenten in brons of stof of rubber te laten stollen.

Niet voor niets toont de poster voor Double Sexus haar beeld The Couple (2002) dat direct lijkt te verwijzen naar de Venus van Willendorf (ca. 24.000 v. Chr.). Bourgeois’ werk raakt aan dezelfde elementaire gevoelens als dit beeld, maar doet dit nog ongemakkelijker en confronterender. Wie naar Bourgeois kijkt, beseft dat er wat betreft onze diepste angsten en verlangens weinig is veranderd, maar ook dat je een groot kunstenaar moet zijn om je publiek daar zo indringend op te wijzen.