Vakantie is een groot voorspel Vakantie is één groot voorspel

Arnon Grunberg bracht deze zomer een week door in Griekenland, samen met het gezin van Maud uit Eindhoven. In een huisje met een zwembad, en een wc die niet op slot kan.

Toen wij nog in een standenmaatschappij leefden, was de wereld overzichtelijk. Er waren mensen die altijd vakantie hadden, anderen hadden het nooit. Vakantie, dat is emigratie met terugkeergarantie. Het massatoerisme is de kwintessens van deze tijd.

De toerist zoekt het paradijs, maar hij verhoudt zich tot de ware paradijszoeker als de hoerenloper tot de verliefde minnaar. Hij wil niet blijven, alleen maar genieten, tegen een schappelijk uurtarief, als het gratis kan, is het helemaal meegenomen.

Deskundigen houden ons voor dat de volksverhuizingen van de afgelopen decennia diverse landen zullen ontwrichten. Wat ze bedoelen is dat het niet meer duidelijk is wie de vreemdeling is.

De toerist is de vreemdeling die niet gevreesd wordt omdat hij nooit om geld vraagt, alleen maar geld uitgeeft; omdat hij elke zomer terugkomt, maar zich nooit zal vestigen op de plek die hij ‘ons paradijsje’ noemt.

De roeping van de mens is om toerist te zijn.

Het spook dat door West-Europa en Amerika waart, dat het ancien regime op zijn grondvesten doet schudden, is de opstand tegen deze roeping. Het spook wenst geen toerist in eigen woonkamer te zijn; het vreest dat elk seizoen straks hoogseizoen zal zijn.

Maar zoals wij de hoofse liefde alleen nog in geïroniseerde vorm kennen, zo zullen we het begrip thuis alleen nog als pastiche kennen.

Er zullen geen allochtonen en autochtonen meer zijn, er zullen alleen nog gewenste vreemdelingen zijn, genaamd toeristen, en ongewenste vreemdelingen.

Van de winter besloot ik met een willekeurig gezin mee op vakantie te gaan. Ik liet een persbericht uitgaan waarop ruim zeventig reacties kwamen. Ik meende mij al te hebben aangepast aan de nieuwe wereldorde, ik was een toerist in het eigen leven, een ruimtevaarder op aarde. Juist daarom wilde ik weten hoe die zoektocht naar het paradijs, die wij de zomervakantie noemen, eruit zag anno 2010. En vanzelfsprekend wilde ik met een gezin mee. Het ancien regime mocht op zijn grondvesten schudden, het gezin bleef de hoeksteen van de samenleving.

In juni organiseerde ik een auditie in een Amsterdams hotel. Circa dertig gezinnen waren bereid mij als verstekeling mee te nemen op hun vakantie. Ik koos voor het gezin van Benno uit Almere, dat in juli twee weken naar een huisje in Spanje zou gaan, maar door omstandigheden, de ziekte van mijn moeder, ging ik uiteindelijk met het gezin van Maud uit Eindhoven mee, mijn tweede keus, dat later in de zomer voor twee weken naar Griekenland zou vertrekken. Ik zou ook niet de hele vakantie meegaan, maar een weekje.

Het gezin bestaat uit Maud (37), Nick (36), Ezra (9) en Luka (7). Hier volgt het dagboek van onze zoektocht naar het paradijselijke geluk.

16 augustus Aan het eind van de middag arriveer ik in een rustige buurt in Eindhoven. De deur van het huis waar Maud met haar gezin woont is knalrood. Op 20 juli schreef Maud mij in een e-mail: ‘Sinds onze ontmoeting in dat hotel in Amsterdam heb ik twee keer over u gedroomd. De eerste droom was uitermate curieus en had een zekere seksuele lading. De tweede droom, vannacht, was realistischer.

U was met ons mee. We voerden akelig beleefde gesprekken. U wilde niet mee de zee in en u wenste elders het toilet te gebruiken.

Ik voelde me opgelaten. En u ook.’

Terwijl ik voor de deur sta met mijn koffer en de cadeautjes in mijn hand, lego voor de jongetjes, een fles wijn voor de ouders, besef ik dat het daarop zal aankomen: ervoor zorgen dat niemand zich opgelaten voelt.

Luka doet open. Ik word de woonkamer binnengeleid.

„We zijn nog aan het pakken”, zegt Maud. Ze zit op de bank.

Nick schenkt mij een glas wijn in en Maud zegt tegen haar man: „Geef mij nog maar zo’n citroendrankje.” Ze krijgt een glas limoncello.

Nick bereidt in de keuken pasta met gorgonzolasaus, de kinderen spelen met hun lego en Maud vertelt over haar opa.

„Hij is nog heel actief”, zegt ze.

„Hij doet veel aan sport?” vraag ik.

„Hij heeft veel vriendinnen.”

„O, je oma leeft niet meer.”

„Ja, zij leeft ook nog.”

We gaan aan tafel. Toe is er tiramisu, die we in de kleine tuin opeten. De avond is zwoel voor Hollandse begrippen.

Nick zegt: „Dit was een studentenhuis. We hebben er jaren aan verbouwd.”

Ezra zit op breakdance. Hij laat zien wat hij kan. Het gesprek komt op exen.

„De ex van Nick heeft zelfmoord gepleegd”, zegt Maud.

Nick knikt. „Ik had nog goed contact met haar, maar de laatste keer dat ik bij haar was, lagen er allemaal boeken op tafel hoe je op een aangename wijze er een eind aan kan maken. Ze was psychotisch.”

We kijken naar Ezra, die nog steeds breakdancet.

Plotseling zegt Maud: „Onze poes is heel agressief. Ze vangt ook regelmatig een duif.”

Mooie mensen, Maud en Nick, mooie kinderen ook. Lieve mensen. Bij hen zal ik me thuis voelen. Zelfs een smerige wc kan daar geen verandering in brengen.

17 augustus We staan om half vier op, want om vier uur komt de taxi die ons naar luchthaven Weeze zal brengen, net over de grens in Duitsland. Vandaar zullen we met chartermaatschappij XL Airways Germany naar het Griekse eiland Lefkas vliegen.

Als we de straat van Maud en haar familie uitrijden zegt de taxichauffeur: „Hier was toch de hoerenbuurt?”

„Reist u veel naar het vliegveld van Weeze?” vraagt Maud.

„Ik ben er gisteravond nog geweest”, zegt de chauffeur. „Ikzelf ga niet op vakantie. Mijn vrouw komt uit Rusland. Als zij op vakantie gaat, heb ik ook vakantie. Maar dit jaar gaat ze niet, dus heb ik geen vakantie.”

Hij kijkt mij aan. „Ik heb de raampjes opengezet, want in de dorpen in Limburg is het kermis en anders stinkt het zo naar drank in mijn wagen.”

Op het vliegveld van Weeze bestellen we koffie en voor de kinderen sap. Luka wijst naar een muffin.

„Nee”, zegt Maud, „die is veel te duur”.

Uit een zakje haalt Maud krentenbollen. Ezra leest De Brief voor de Koning van Tonke Dragt en Luka leest Het internaat van Marjon Hoffman.

„Het internaat gaat over ouders die van hun kinderen af willen”, zegt Maud.

Dan biecht ze op dat ze vreselijke vliegangst heeft en dat ze tabletjes heeft genomen. Ze zegt: „Ik heb geprobeerd stewardess te worden om zo over mijn vliegangst heen te komen, maar het pakje dat ik aan moest, stond me niet aan.”

Ze neemt een krentenbol: „Ik denk niet dat we neerstorten als jij in het vliegtuig zit”, zegt ze. „Want je moet nog veel boeken schrijven.”

Maud heeft Nederlands gestudeerd in Nijmegen, ze is afgestudeerd op gebarentaal. Nu heeft ze een eigen tekstbureautje. In september gaat ze ook lesgeven aan een vmbo. Ze komt uit Deurne, maar ze heeft ook een tijd op Bonaire gewoond, waar haar vader manager was van een groot hotel.

Nick heeft de Design Academy in Eindhoven gedaan, maar niet afgemaakt. Hij werkt nu voor een IT-bedrijfje. Hij komt uit de Achterhoek.

Maud en Nick hebben elkaar ontmoet op een plein in Eindhoven. Maud vroeg: „Mag ik erbij komen zitten?”

Nick zegt: „Maar we zijn niet meteen met elkaar naar bed gegaan, dat hebben we langzaam opgebouwd.”

Aan het eind van de ochtend landen we op het vliegveld van Preveza. We rijden met een huurauto naar het eiland Lefkas, dat door middel van een brug verbonden is met het vasteland. Maud en Nick hebben op een heuvel, niet ver van het dorpje Vasiliki een huisje gehuurd.

Het huisje heeft een eigen zwembad. En hoewel de accommodatie behoorlijk comfortabel is, zijn er geen afgesloten ruimtes. Er is wel een open halve eerste verdieping, een soort zolder. Besloten wordt dat ik daar mag slapen.

De familie slaapt in de woonkamer naast de badkamer, die niet op slot kan.

We gaan aan de rand van het zwembad zitten.

„Laten we het over de wc hebben”, zegt Maud.

„Het lijkt me het handigst als je vertelt wat je tijdstippen zijn”, zegt Ezra.

„Ik heb geen vaste tijden”, antwoord ik.

Op dat moment roept Luka: „Ik moet kakken.”

Hij houdt zijn billen vast, doet een charmant dansje en rent vervolgens naar het toilet.

Daarna zegt Maud: „In India heb ik mensen langs de straat zien poepen. Je zag de anus zo opengaan. Ik had dat nog nooit gezien.”

„Ik ben ook in India geweest”, antwoord ik. „Maar de anus heb ik niet zien opengaan.”

„Luister”, zegt Maud, „als ik naar de wc moet en ik kan me niet helemaal laten gaan, dan moet je even naar buiten”.

Ik zeg dat dat geen enkel probleem is.

We gaan lezen. Nick leest Wanhoop van Nabokov, Maud leest 1q84 van Murakami.

Tegen het eind van de middag rijd ik met Maud naar een supermarkt aan de rand van Vasiliki.

Verontwaardigd staat Maud met een blik maïs in haar hand. „Dit is niet te geloven”, zegt ze, „dit is twee keer zo duur als bij de Aldi”.

Ik ben een aanhanger van assimilatie. Daarom zeg ik: „En ik dacht dat Griekenland bankroet was.”

Nick kookt. Luka zegt tegen zijn moeder: „Jouw vet is lekker vet.”

En Ezra antwoordt: „Dat is moedervet.”

We spelen een gezelschapsspel dat Koehandel heet. Ik ga er volledig in op.

Dat is de waarheid van het gezin: moedervet is lekker vet.

18 augustus Maud heeft slecht geslapen. „Ik ben geen prinses op de erwt, maar die bedden zijn keihard”, zegt ze. Nick bakt een eitje.

We rijden naar Vasiliki, waar we koffiedrinken en de kinderen een ijsje van me krijgen.

Maud zegt: „Toen ik nog iets met Ralph had, dat was mijn vorige vriendje, was ik een echte schuinsmarcheerder.”

Nick: „Schuin? Zeg maar gerust horizontaal.”

We gaan weer aan het zwembad liggen. Dit gezin noemt de penis ‘dingdong’ en de vagina ‘flipflap’.

Luka roept: „Ik kan me hier niet omkleden, want dan ziet hij mijn dingdong.”

Hij, dat ben ik.

„Toen ik jong was”, zegt Maud, „had ik bedacht dat ik snel geld wilde verdienen. Ik solliciteerde bij een escortservice, ik kwam terecht bij een man met een papegaai. Hij was in de vijftig. Ik zei: ‘Ik wil uit met jonge, rijke mannen.”’

„Je bedoelt dat je seks met ze wilde”, onderbreek ik haar.

„Ja”, fluistert Maud, „maar dat woord gebruik ik niet, want de kinderen zitten erbij. Maar goed, toen liep ik door Eindhoven en bij iedere man die ik tegenkwam, dacht ik, dat is een klant. Toen ben ik teruggegaan naar de man met de papegaai en ik heb hem gezegd dat ik er vanaf zag.”

’s Avonds rijden we naar Sivota, een pittoresk dorp dat aan de baai ligt. We drinken rozenlikeur die naar parfum ruikt dat aan bordelen doet denken.

Nick zegt: „Ik zou zo’n authentiek oud Grieks vrouwtje mee naar huis willen nemen.”

Het klinkt raar, maar ik zou voor altijd bij Maud, Nick, Ezra en Luka kunnen blijven.

19 augustus Vandaag is Nick jarig. Terwijl hij nog in bed ligt, help ik Maud met het ophangen van de slingers. Maar de slingers zijn oud en vallen uit elkaar.

Van zijn zoons krijgt Nick twee tekeningen, van mij krijgt hij een boek van Coetzee en zijn vrouw geeft hem een strakke, zwarte zwembroek.

Nick gaat de zwembroek passen.

„Past je dingdong er wel in?” roept Maud.

„Ja hoor”, roept Nick terug. „Past erin.”

We rijden naar een prachtig maar vol strand en lunchen in een restaurant onder wat dennenbomen. Na het eten begint Luka te jengelen. „Ik wil naar het huisje.”

Tegen zijn broer zegt Luka: „Ik ga zo op je buik drukken dat je darmen door je mond naar buiten komen.”

„Hij is heel inventief”, zegt Maud.

’s Avonds vieren we Nicks verjaardag in een restaurant in Vasiliki.

We bespreken in het bijzijn van de kinderen de mogelijkheid, puur theoretisch, van een menage à trois.

„Hebben jullie dan ook seks?” vraagt Luka.

„Alleen orale seks”, zegt Maud.

Ze vertelt dat haar man om medicinale redenen besneden is, en dat ze had overwogen ook haar beide zoons te laten besnijden, maar dat ze daar toch maar van heeft afgezien.

Het eten vond ze tegenvallen. „Maar de warme doekjes waren heerlijk”, zegt ze.

Dan pakt ze de botertjes die nog op tafel liggen en gooit die in Nicks tas met de woorden: „En als je die boter in je tas doet, hebben we morgen boter op onze toast.”

Op mijn voorstel drinken we op een ander terras nog een likeurtje. De stemming zit er goed in. Nick vertelt dat zijn zus op haar negentiende zwanger is geworden van de patatboer.

„Is ze verkracht?” vraag ik.

„Nee”, zegt Nick. „Het was echte liefde. Maar lang heeft het niet geduurd, want de patatboer is naar Suriname gegaan, waar hij nog drie andere vrouwen heeft bezwangerd. Toen is hij in de gevangenis beland, want hij bleek een drugssmokkelaar te zijn.’

Waarom een eigen gezin beginnen als je mee mag lopen met een gezin als dat van Maud? Van mij mogen ze me adopteren als inwonende huisvriend.

20 augustus In het huisje spelen we Monopoly. Luka wint.

Maud zegt: „Op vakantie drinken we veel cola. Dat is goed voor de maag.”

Nick roept: „Gadver.”

We zijn vergeten de boter uit zijn tas te halen. Alles is uitgelopen.

’s Avonds rijden we naar een pizzeria in de bergen. Nick zegt: „Ik ben op mijn vijftiende ontmaagd. Ze was mooi, maar ze hield haar korset aan. Ze had het aan haar rug. Een keer per week werd ze gewassen.”

Na een stilte zegt Ezra: „Ik vind het vreemd dat ik het jongetje bestuur dat ik in de spiegel zie.”

„Is dat niet mooi?” vraagt Maud. „We weten niet of we hem naar een school voor superbegaafde kinderen moeten doen. Moeten we hem afremmen of juist stimuleren?”

„Sorry voor deze indiscrete vraag”, zeg ik. „Maar in dat huisje liggen jullie zo ongeveer in bed met jullie kinderen. Hoe kunnen jullie dan seks hebben?”

„Op vakantie hebben we geen seks”, zegt Maud. „Vakantie is een groot voorspel.”

21 augustus We huren een bootje. Nick vaart, Maud ligt op het voordek. Af en toe duiken we met zijn allen het water in.

We leggen aan bij een strandje, waar Luka naar de wc gaat.

Maud zegt: „Luka’s poep stinkt niet.”

Als we het bootje terug hebben gegeven, krijgt Ezra een driftaanval. Hij begint met zijn moeder te vechten en terug in het huisje gooit hij een droogrek in het zwembad.

Maud zegt: „Vakantie heeft een negatieve uitwerking op de kinderen. Kinderen hebben een strikt regime nodig.” Ik beaam dit.

Maud: „Misschien is vakantie ook wel leuker in retrospectief dan als je het ondergaat. Vakantie vier je voor de toekomst.”

’s Avonds zoeken we een restaurant. Maud wil eens een keer niet Grieks eten.

In de huurauto legt Nick een hand op mijn schouder. Hij knijpt me vriendelijk.

„De reden dat we jou hebben meegenomen, nu kunnen we het wel zeggen”, zegt Nick. „Ezra heeft een nier nodig.”

Om de spanning te breken, zegt Maud: „Jij en Nick, jullie zouden een perfect homostel zijn.”

Lees het tegenverslag van Maud en de vakantiebelevenissen van de andere gezinnen van dit project op: www.grotevakantie.nl