Stefan Zweig? Nee, dank u

Hij schreef voor een groot publiek op een directe, spannende wijze en liet de lezer weinig tot niets te raden over. Collega’s als Kraus en Tucholsky verguisden hem. Was dat terecht?

Stefan Zweig: Ongeduld. Uit het Duits vertaald en van een nawoord voorzien door Janneke van der Meulen. Atlas, 431 blz. € 39,90

Stefan Zweig: Reis naar het verleden. Vertaald door Liesbeth van Nes. Atlas, 160 blz. € 18,50

Over de Oostenrijker Stefan Zweig (1881-1942) lopen de meningen uiteen – en dat al honderd jaar. De lezers hebben hem altijd op handen gedragen, in de Duitstalige landen en daarbuiten. Volgens een onderzoek van de Volkenbond was Zweig anno 1960 zelfs de meest vertaalde auteur ter wereld. Ook nu nog worden zijn novellen en geromantiseerde biografieën over bijvoorbeeld Erasmus, Balzac of Marie Antoinette veel gelezen, evenals zijn meesterlijke herinneringsboek Die Welt von Gestern. De onlangs vertaalde novelle Reis naar het verleden, ontdekt in zijn nalatenschap, haalde twee jaar geleden in Frankrijk een oplage van bijna 200.000 en leidde daar zelfs tot een regelrechte Zweig-boom.

Maar de kritiek en vooral Zweigs collega’s hebben hem altijd met argwaan bekeken. Thomas Mann vond hem volgens zijn dagboeken ongenietbaar, Karl Kraus en Kurt Tucholsky hadden slechts hoon voor de ‘industrieel’ producerende veelschrijver, en de strenge Robert Musil wilde tijdens de Tweede Wereldoorlog in geen geval naar Brazilië emigreren ‘want daar zit Zweig al’.

De tegengestelde reacties op Stefan Zweig zijn begrijpelijk. Zweig schreef inderdaad en waarschijnlijk ook welbewust voor een breed publiek; zijn vertelwijze is uiterst direct, spannend en laat niets te raden over. Dankbaar maakte hij gebruik van de nieuwe ideeën op het gebied van de psychologie zoals die rond 1900 door zijn stadgenoot Freud (die hem bewonderde) werden gepresenteerd; roes, verborgen seksualiteit, dromen, angst en obsessies komen regelmatig terug in zijn werk. Maar was Zweig niet al te populistisch?

Zeker is dat stijl en vorm bij hem vaak te wensen overlaten; zelfs zijn beroemde Schachnovelle (1941) is niet vrij van taalslakken of clichés – en heel wat minder van kwaliteit dan de gelijktijdig geschreven novellen van Arthur Schnitzler.

Stefan Zweigs enige roman Ungeduld des Herzens (1938) is nu onder de titel Ongeduld secuur vertaald door Janneke van der Meulen. Hoofdpersoon is de 25-jarige Weense cavalerist Toni Hofmiller, die aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wordt overgeplaatst naar een klein garnizoen aan de Oostenrijks-Hongaarse grens. Daar leert hij door toeval de adellijke familie Kekesfalva kennen, die een fraai kasteel in de omgeving bewoont. Tijdens een avondpartij begaat de onervaren Toni een faux pas die de rest van de roman zal bepalen: hij vraagt de invalide Edith ten dans, de dochter des huizes.

Toni schaamt zich voor deze blunder, stuurt de volgende dag bloemen naar het kasteel en wordt opnieuw uitgenodigd. Gaandeweg ontstaat er tussen Toni en de verlamde Edith een toenadering, die uiteindelijk zelfs tot een verloving leidt. Maar omdat Toni in het openbaar zijn liefde verloochent, leidt dit tot een tragische afloop.

De hoofdpersoon van Ongeduld raakt door zijn sociale onhandigheid steeds meer in de ban van medelijden en schuldgevoel, de centrale thema’s van de roman. Blijkens het motto onderscheidt Zweig twee soorten medelijden: het eerste is sentimenteel van aard en louter gebaseerd op ‘instinctieve afweer [...] tegen het lijden van een ander’. Het tweede, dat Toni Hofmiller (tevergeefs) tracht te verwezenlijken, is ‘geduldig en mee-duldend’ en impliceert zelfopoffering. Naast de hoofdpersoon worden, om uiteenlopende redenen, nog minstens twee andere figuren in beslag genomen door medelijden en schuldgevoel: de vader van de invalide Edith alsook de haar behandelende arts Condor.

In veel opzichten lijkt deze roman op een pedagogisch traktaat over medelijden. Regelmatig stuit je op belerende of moralistische passages: ‘Voed jezelf door je in te zetten voor anderen, verrijk jezelf door je met ieders lot te verbinden, door ieders lijden vanuit medelijden te doorgronden en te doorstaan.’

Zweig legt te veel uit en herhaalt opvallend veel, zelfs het ondubbelzinnige motto wordt later nog eens expliciet herhaald. Een ander bezwaar tegen deze roman vormen de diverse inconsequenties. Over de hoofdpersoon wordt verteld dat hij een eenvoudige geest is en slechts ‘zes à acht militaire geschriften’ heeft gelezen. Maar Zweig legt hem desondanks allerlei filosofische gedachten in de mond en laat hem Schopenhauer en Nietzsche citeren.

Ietwat storend en al te fantastisch is tenslotte ook de opvallend breed uitgemeten voorgeschiedenis van de adellijke Kekesfalva, de vader van Edith. Deze blijkt van nederige joodse afkomst te zijn en heeft zich door allerlei bedenkelijke transacties en speculaties opgewerkt tot kasteelheer. Fragmenten als deze – Ongeduld telt er diverse – horen eerder thuis in avonturenboeken dan in een psychologische roman.

Een stuk beter is de novelle Reis naar het verleden, die in een tweetalige editie bij Atlas is verschenen. Dit werk begint, net als de roman, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Een jonge Duitse scheikundige, afkomstig uit uiterst eenvoudige kringen, raakt hevig verliefd op de burgerlijke vrouw van zijn chef. Helaas wordt hij overgeplaatst naar Mexico. Pas negen jaar later – de Eerste Wereldoorlog is ten einde, de vrouw inmiddels weduwe – ziet men elkaar in Duitsland terug. De liefde blijkt nog steeds intact. Maar inmiddels zijn de tijden veranderd, en waarschijnlijk gaat de politiek roet in het eten gooien. Het paar wordt getuige van een ‘vaderlandslievende demonstratie’ waar oud-strijders, Hitler-jongens en studenten bij betrokken zijn.

Hoewel ook deze fragmentarisch gebleven novelle niet geheel vrij is van effectbejag en pijnlijke retoriek, raak je als lezer toch betrokken bij de inhoud. Anders dan bij de roman blijft er ook genoeg te raden over.