Stedenbouwslachtoffer

Carel Weebers ‘Zwarte Madonna’ was nog geen 25 jaar oud, maar ze moest toch worden afgebroken. Onnodig, zegt men nu. Den Haag houdt van slopen, zo blijkt.

Paul Groenendijk: De Zwarte Madonna. De onfortuinlijke geschiedenis van een Haags woningbouwcomplex. Uitgever 010, 95 blz. € 24,50

Het was bizar: in juli 2007 begon de sloop van de Zwarte Madonna, het grote, zwart betegelde woningblok, vlak bij het Centraal Station in Den Haag. Het reusachtige blok met honderden woningen had er nog geen 25 jaar gestaan en was dus nog niet afgeschreven. Bouwkundig was er niets mis mee en de bewoners waren tevreden over hun betaalbare woningen in het centrum van Den Haag. Toch had de gemeente Den Haag al jaren eerder besloten dat de Zwarte Madonna weg moest. Het woningblok paste niet meer in de nieuwe plannen voor het gebied tussen het Centraal Station en het Spui. Op de plek van het blok moesten twee 140 meter hoge kantoor- en woongebouwen komen.

Over het korte leven van De Zwarte Madonna heeft architectuurschrijver Paul Groenendijk nu een ontluisterend boek geschreven: De Zwarte Madonna. De onfortuinlijke geschiedenis van een Haags woningbouwcomplex. In minder dan honderd opvallend veelkleurige pagina’s met veel afbeeldingen beschrijft hij hoe architect Carel Weeber het gebouw ontwierp als deel van een stedenbouwkundig plan dat ook van zijn hand was. Sociale huurwoningen in binnensteden waren in de jaren tachtig nog in de mode, en dus kon Weeber ‘sociale woningbouw in zijn fundamentele bedoeling’ bouwen, zoals hij de Zwarte Madonna zelf eens noemde. Zijn huurkazerne riep eerst vooral weerstand op. Veel Hagenaars vonden het naar de toenmalige popster- in-opkomst Madonna vernoemde gebouw ronduit lelijk, schrijft Groenendijk. Maar in de loop der jaren werd het algemene oordeel over de Zwarte Madonna steeds milder en toen het blok ten slotte weg moest, werd dit niet alleen door de bewoners betreurd.

Niet alleen wegens de onnodige sloop van de Zwarte Madonna maar ook wegens het onvermogen van de stedenbouwers om van het Spuikwartier een goed stuk stad te maken, is Groenendijks boek ontluisterend. Een groot deel van De Zwarte Madonna gaat over de de plannen die in de loop van de 20ste eeuw zijn bedacht voor het Spuikwartier. En dat zijn er veel, heel veel.

Vele architecten van naam, van H.P. Berlage tot Jo Coenen, hebben ontwerpen gemaakt voor dit gebied. Soms werden ze helemaal niet uitgevoerd, vaak maar voor klein deel, en nooit helemaal. En als die kleine delen er na jaren bouwen dan eindelijk stonden, dan dook er, meestal wegens financiële belangen van gemeente en projectontwikkelaars, weer een nieuw plan op. Vaak betekende dit dat de voltooide gebouwen moesten verdwijnen of drastisch moest veranderen.

De Zwarte Madonna is niet het laatste slachtoffer van het onvermogen van de stedenbouw. Er bestaan nu bijvoorbeeld plannen om het Danstheater aan het Spui, een van de eerste belangrijke scheppingen van Nederlands beroemdste architect Rem Koolhaas, te slopen. Het staat er slechts 23 jaar maar moet plaatsmaken voor iets groters. Zo blijft stedenbouw in het centrum van Den Haag ook in de toekomst een treurig stemmende cyclus van voortdurende sloop en nieuwbouw, met een permanent afzichtelijke stad als resultaat.