Meester in oorlogstijd

Hoeveel speelruimte hadden Nederlandse advocaten in de nazitijd? Joggli Meihuizen schreef een geschiedenis in grijstinten.

Joggli Meihuizen: Smalle marges. De Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog. Boom, 512 blz. € 29,90

De welbekende dilemma’s van een burgemeester in oorlogstijd bleven andere ambtsdragers niet bespaard. In Smalle Marges. De Nederlandse advocatuur in de Tweede Wereldoorlog brengt Joggli Meihuizen ze in kaart voor een beroepsgroep die bij uitstek werd geconfronteerd met het regime van rechteloosheid dat door de Duitse bezetter werd geïnstalleerd.

Helden en verraders, dwarsliggers en overlopers, profiteurs en slachtoffers, ze kwamen ook in de advocatuur naast elkaar voor. Een van de helden die slachtoffer werd was mijn oom Ernest Kan, een joodse advocaat in Den Haag, die al spoedig in het verzet belandde en in 1942 door de Duitsers werd gefusilleerd. Hij was zeker niet het enige slachtoffer. Tientallen advocaten belandden in concentratiekampen en werden daar vermoord. Onder hen waren veel joodse advocaten, die al binnen een jaar getroffen werden door een Duits beroepsverbod dat met welwillende precisie werd uitgevoerd door het ministerie van Justitie en nergens op echt principieel verzet stuitte: men achtte het een juridisch geoorloofde stap van de bezetter.

Voor de collectieve inschikkelijkheid van de advocaten in oorlogstijd op deze en andere momenten zijn natuurlijk de gebruikelijke verontschuldigingen aan te voeren. Het is waar: veel uitgemaakt had een protestactie ongetwijfeld niet. En de rechterlijke macht – meer nog dan de advocatuur de belichaming van de rechtsstaat – liet het ook al spoedig afweten. Op 12 januari 1942 ontzegde de Hoge Raad in een berucht arrest de Nederlandse rechter de bevoegdheid om de naziregelgeving te toetsen aan het internationale recht en sloeg zo de advocatuur een belangrijk wapen uit handen. Daarvoor al had de rechterlijke macht het ongrondwettelijke ontslag van een aantal joodse rechters, onder wie nota bene de president van de Hoge Raad L.E. Visser, zonder morren geaccepteerd. Van die kant viel dus weinig steun te verwachten.

List en bedrog

Tegen deze achtergrond bleef voor de advocaten weinig anders over dan hun werk doen binnen wat resteerde van het rechtsstelsel. Niet altijd zonder succes: zo werden duizenden joden met ruime doses list en bedrog door een paar gespecialiseerde advocaten voorzien van een gefingeerd ‘Arisch’ verleden, en kon een klein aantal joodse advocaten door actieve steun van hun confrères een plek verwerven in het elitekamp Barneveld. Daar tegenover stonden ook weer veel voorbeelden van collaboratie en verraad, en van uitbuiting van machteloze cliënten. Uiteindelijk kunnen geschiedenissen als deze natuurlijk alleen in grijstinten geschetst worden. De beroepsgroep was gedurende de oorlog maar beperkt georganiseerd. De huidige publiekrechtelijke Nederlandse Orde van Advocaten – opdrachtgever voor dit boek – werd pas in 1948 opgericht, ironisch genoeg nadat een eerdere Duitse poging was stukgelopen op het zelfs door de bezetter onderkende volstrekt ondermaatse niveau van de daarvoor beschikbare NSB-advocaten. Van de toen wel bestaande Nederlandsche Advocaten-Vereeniging was maar de helft van de advocaten lid. En toch: als de toen ook al functionerende 19 lokale dekens met hun Raden van Toezicht tenminste een enkele keer de kans benut hadden om iets van collectieve verontwaardiging te demonstreren, dan waren de geschiedenis van de balie wel enige zwarte bladzijden bespaard gebleven.

Met de kennis van nu is een moreel oordeel al te gemakkelijk te vellen. Voor veel advocaten in oorlogstijd ging het leven gewoon door, werd naar vermogen hulp verleend aan slachtoffers, maar moest ook een gezin onderhouden worden. Met des te meer bewondering lees je in het rijk van anekdotisch materiaal voorziene boek over de advocaten die voor verzet kozen. Over de Rotterdamse advocaat Otto Verdoorn bijvoorbeeld, die een spionagenetwerk in de havens organiseerde, in 1942 werd gearresteerd en in de Nacht und Nebel van Natzweiler omkwam. Over Ferdinand van Oppen, die zelfs tot in de strafgevangenis weigerde te beloven om niets tegen de Duitsers te zullen ondernemen en in Sachsenhausen werd gefusilleerd. En over Emma Lion die als een van de weinigen niet aarzelde een woedende brief te sturen aan de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie over de uitschakeling van haar joodse collega’s.

De ambtseed van de advocaten verplicht hen ertoe rechtvaardigheid als toets voor hun bemoeienis te hanteren. De helden uit Smalle marges zijn inspirerende voorbeelden van juristen die de rechtvaardigheid breder wilden dienen dan de beperkte speelruimte van hun professie toe leek te staan. Gelukkig hebben zij in de kordaat uitgevoerde naoorlogse zuivering hun erkenning gekregen.

Verantwoordelijkheden

‘Het karakter van de professie en de verantwoordelijkheden die daarmee samenhingen, beperkten de speelruimte van de advocatuur tot smalle marges’, zo luidt de conclusie van Meihuizen. Toch stelt het teleur dat de advocaten nooit een poging hebben gedaan tot collectief, principieel verzet tegen de ondermijning van de rechtsstaat en de schaamteloze aantasting van de daaraan ten grondslag liggende beginselen.

Van ordes, beroepsverenigingen en dergelijke wordt verwacht dat zij individuen in staat stellen boven zichzelf uit te groeien, in een gezamenlijke loyaliteit aan de normen en waarden van de professie. De studie van Meihuizen illustreert dat dat geen vanzelfsprekende opgave is. Integendeel, juist in noodsituaties blijkt het aan te komen op schaarse individuen die juist dan de stem van hun geweten verstaan, en ernaar handelen.