Linkse hobby

Arjo Klamer constateert in het Cultureel Supplement van 27 augustus dat er te veel kunstaanbod is en dat de kunstwereld maar eens creatief moet worden in het organiseren van zijn financiering. Het is een vreemd artikel. Eerst biedt Klamer veel ruimte aan ‘de gewone man’ om de argumenten vóór subsidiering onderuit te halen. Hij wekt daardoor de indruk het met die ‘gewone man’ eens te zijn.

Maar in het laatste gedeelte van zijn artikel belijdt hij zelf opeens zijn passie voor de kunst: ‘een beschaafde wereld heeft kunst nodig’. Hij geeft daarbij echter nog minder argumenten dan de door hem bekritiseerde kunstwereld. En Klamer hoopt dat als het mes eens goed in die subsidies gaat, de kunstinstellingen eindelijk creatief gaan worden op het gebied van private of bedrijfsmatige financiering. Hij is blijkbaar aanhanger van een soort culturele Verelendungstheorie: het moet eerst erger worden voor het beter wordt. Ondertussen, vrees ik, zal het kind met het badwater weggegooid zijn.

In de eerste plaats is het de vraag of je ‘de gewone man’ het heft in handen moet geven als het om beslissingen over ‘cutting edge’-kunst gaat. Kunst verhoudt zich moeizaam tot een democratie die vergeet dat het gaat om democratisch leiderschap en niet om gehoor geven aan de onderbuik. Daar is een mooi toneelstuk over geschreven, Coriolanus van Shakespeare.

Alles wijst erop dat de markt zich slechts zal bemoeien met het kleine gedeelte van de kunst dat economisch exploitabel is (musical, klassiekers, evenementen) en dat de bedrijven geen aanstalten maken verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zeker niet in het huidige economische klimaat, dat overigens zo guur is omdat we met miljarden overheidsgeld een onverantwoordelijk opererende bedrijfstak hebben moeten redden. Klamers vergelijking met de methode in de Verenigde Staten gaat ook niet op: er is daar een totaal andere traditie en fiscale cultuur.

Het is veelzeggend dat als het over kunst gaat in deze tijd, economen en politici het hoogste woord hebben, niet kunstenaars. Dat mogen de kunstenaars zich overigens wel aantrekken. Zichzelf verklaren is vaak niet hun sterkste kant – daar is nog een mooi toneelstuk over geschreven: Torquato Tasso van Goethe.

Klamer zegt slechts dat de kunst zich te veel vervreemd heeft van de basis. Of zou het zijn dat Nederland zijn kunstonderwijs al dertig jaar verwaarloosd heeft? Deze discussie speelt namelijk nauwelijks in landen als Duitsland of Frankrijk, waar ook een economische crisis heerst, maar waar kunst een onvervreemdbaar deel van de nationale identiteit uitmaakt.

Er zijn naast kunst nog vele andere irrationele maatschappelijke activiteiten die subsidie ontvangen. Er gaat veel meer subsidiegeld naar voetbal dan naar kunst bijvoorbeeld, zeker als je de kosten van politie, schoonmaak, vandalisme en beveiliging erbij optelt. En dat terwijl de professionele podiumkunsten in ons land per seizoen meer toeschouwers trekken dan het betaalde voetbal. Ik denk dat we voetbal steunen uit belangrijke gevoelens als tribale vereniging, plaatsvervangende oorlogvoering, schoonheid en lichamelijke passie. Argumenten die eigenlijk verdacht lijken op de argumenten waarmee je kunst maakt, al sneuvelen er bij kunst heel wat minder stoplichten, bushokjes of treinstellen.

Bas Heijne heeft in deze krant ooit een mooi betoog gehouden voor een maatschappij waarin alle passies, zowel sport als kunst, hoog in aanzien gehouden worden. Hij heeft gelijk. Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten. Het is jammer, en zelfs gevaarlijk, dat de bezuinigingsdiscussie nu de kunst in de gevarenzone plaatst. Niet omdat er geen verbeteringen en bezuinigingen mogelijk zouden zijn in de kunstwereld, daarin heeft Klamer gelijk. Maar omdat de radicaliteit van het ‘linkse hobby’-idee iets kapot gaat maken waar onze maatschappij intens behoefte aan heeft: verbinding.