'Geef mij maar Fabergé'

De Belgische kunstenaar Wim Delvoye kocht een kasteel met de opbrengsten van zijn kunstmatige poep. Van twintigste-eeuwse kunst moet hij nu niet veel meer hebben. „Mensen raken niet meer gechoqueerd van stront of seks, maar wel van schoonheid. Dat is waar ik op gok.”

Met zichtbaar plezier stuurt kunstenaar Wim Delvoye zijn auto over de smalle bospaadjes van zijn landgoed in Melle, even buiten Gent. Takken zwiepen tegen de zijkant van de Volvo. Een stel wandelaars springt verschrikt opzij. „Hier mag alleen ik rijden”, glundert Delvoye trots.

Achter de bomen doemt De Bueren op, het negentiende-eeuwse kasteel waarvan de Belgische kunstenaar sinds 2007 eigenaar is. Het oogt als een kasteel uit een sprookjesboek, met een slotgracht en een robuuste bakstenen toren. Een stenen brug leidt naar de toegangspoort. Delvoye bukt nog even om wat onkruid tussen de keien weg te trekken en opent dan trots de zware houten deuren. Met zijn streepjesshirt, zwartleren jekkie en motorlaarzen voldoet hij niet bepaald aan het prototype kasteelheer.

Het succes lacht Wim Delvoye (1965) toe sinds hij tien jaar geleden op het idee kwam om een kunstwerk te maken dat poep kon produceren. De sculptuur Cloaca (2000) bestond uit een laboratoriumopstelling van transparante reactoren die met slangen aan elkaar verbonden waren. Aan de voorkant ging er voedsel en drank in, aan de achterkant kwamen er fraaie keutels uit. Die drollen werden door Delvoye vacuüm verpakt en voorzien van datum en tijdstip. Als gesigneerde multiples gingen ze vervolgens voor zo’n 3.000 euro per stuk de deur uit. „Niet veel geld voor een kunstwerk, wel veel geld voor stront”, aldus Delvoye. De kunstenaar vergaarde er zijn fortuin mee.

Delvoye heeft grootse plannen met De Bueren. De statige zalen op de begane grond moeten straks dienen als privémuseum, de zestien hectare bos wil hij omtoveren in een beeldenpark. Op de bovenverdieping, waar Poolse timmerlieden druk bezig zijn de muren te stuccen, zal hij gaan wonen. Maar zover is het nog lang niet. De kunstenaar klaagt dat hij voortdurend wordt tegengewerkt door overijverige gemeenteambtenaren. Hij moet nog 25.000 euro boete betalen omdat hij zonder vergunning de slotgracht heeft uitgebaggerd. „En nu is er weer een speciaal type glas verplicht dat meer dan tien keer zo duur is als gewoon glas”, gromt hij. „Maar dat glas is niet geluidsdicht. Dus dat weiger ik. De trein rijdt hier vlak langs en ik wil straks wel goed kunnen slapen.”

Uit frustratie met de Vlaamse overheidsbemoeienis kocht Delvoye in 2008, zes maanden nadat hij ruim 2 miljoen euro had neergelegd voor De Bueren, nog een kasteel, maar dan in het Waalse deel van Brabant. Dit kasteel, een dertiende-eeuwse burcht in Corroy-Le-Château, kostte hem 3,3 miljoen euro. „Toen wisten ze in Melle wel dat het me menens was”, grinnikt Delvoye. „Als er iets is wat Belgen nog kan motiveren dan is het die communautaire strijd wel. In Wallonië werd ik ontvangen als een koning. Maar in Vlaanderen zijn ze jaloers als je zoiets doet en proberen ze je te kortwieken.”

Inmiddels is de Waalse burcht toch weer verkocht, want twee kastelen was ook Delvoye iets te gortig. „Het was de bedoeling De Bueren van de hand te doen. Maar voor dat oude kasteel kreeg ik opeens een enorm goed bod.” En dus is het gepest van de ambtenaren van Melle weer begonnen, vertelt hij mismoedig. „De Bueren hangt als een blok aan mijn been, maar ik wil het wel tot een goed einde brengen.”

Delvoye sluit niet uit dat hij zijn project alsnog verhuist. „Ik ben heel flexibel. Er gaat geen week voorbij of ik zit wel te googelen naar onroerend goed. Dan ga ik op reis via de computer, landbouwgrond bekijken in Argentinië, Canada of Libië. Het is jammer dat ik mijn ideeën hier in Vlaanderen niet kan uitvoeren maar overal elders in de wereld wel. Straks moet ik mijn droom nog in de Filippijnen gaan realiseren. Er is daar geen toerisme, maar ze zijn er wel blij met me.”

Het is geen grootspraak. Zes jaar geleden begon Delvoye al een bedrijf in China, een varkensboerderij. Op deze ‘Art Farm’ heeft hij twaalf Chinese werknemers in dienst die, buiten het zicht van protesterende dierenorganisaties, varkens vol tatoeëren met draken en Harley Davidson-logo’s – onder verdoving, dat wel. Delvoye staat erop dat de dieren op zijn boerderij een „luxeleventje” leiden. Uiteindelijk worden de beesten opgezet als sculptuur of worden hun huiden gestroopt en ingelijst als schilderijen. Met alle protesten van dien. Dit jaar nog, toen hij zijn opgezette varkens in Nice exposeerde, kreeg hij de woede van dierenactivist Brigitte Bardot over zich heen. In een reactie hekelde Delvoye de dubbele moraal van zijn critici. Want waarom zouden varkens wel gegeten maar niet getatoeëerd en tentoongesteld mogen worden?

Ook modehuis Louis Vuitton was op zijn zachtst gezegd niet blij toen Delvoye zijn varkens met hun logo’s begon te tatoeëren, alsof ze levende handtassen waren. Drie keer is het bedrijf een proces begonnen, maar tot nu toe is het van een rechtszaak nog niet gekomen. „Zo’n bedrijf kan zich echt niet permitteren mij aan te pakken”, zegt Delvoye zelfverzekerd. „Ik heb het morele gelijk. Louis Vuitton associeert een varken met iets negatiefs, en denkt er veel nadeel van te ondervinden als mensen ineens die sterretjes zien in combinatie met een varken. Ze beweren dat ze schade lijden. Maar er is geen enkele verwarring tussen hun producten en mijn producten. Bovendien: als kunstenaar mag je parodiëren.”

Vaak is hij een enfant terrible genoemd. Delvoye houdt ervan om te provoceren. Toen zijn relatie met de gemeente Melle zich toch al op een dieptepunt bevond, deed hij een bouwaanvraag voor een mausoleum op zijn landgoed, waar hij zichzelf dan na zijn dood zou kunnen laten invriezen. Gewoon, om een beetje te zieken.

In zijn kunst provoceert hij door de meest banale zaken – varkens, stront – te verkopen als prestigieuze kunstvoorwerpen. Hoge en lage kunst lopen bij Delvoye voortdurend door elkaar heen. Hij beschilderde gasflessen en zaagschijven met de mooiste Delftsblauwe motieven, maakte levensgrote voetbalgoals van glas-in-lood, liet puisten en mee-eters de hoofdrol spelen in een video (Sybille, 1999) en verkocht lipstickafdrukken van anussen op chic hotelpostpapier (Anal Kisses, 2000). ‘Sociaal realisme’, noemt Delvoye zijn werk zelf. „Ik verhef het gewone leven.”

Via zijn website kun je allerhande gadgets bestellen, waaronder babyblauw Cloaca-toiletpapier en een waterproof badboekje getiteld The Philosophy of Wim Delvoye for Dummies. Want waarom zou je als kunstenaar weer de zoveelste monografie willen uitbrengen? „Volgens mij is er geen hond die al die kunstcatalogi leest”, aldus Delvoye. „Dan maak ik liever een badboekje.” Voor de liefhebbers is er zelfs een Wim Delvoye action figure, een pop van de kunstenaar die vergezeld gaat van een miniversie van Cloaca, een varkentje en een tatoeëerpistool. Dit alles uiteraard ‘made in China’.

Walt Disney is zijn grote held. Ze delen dezelfde initialen, en sinds jaar en dag signeert Delvoye zijn kunstwerken met zijn naam geschreven in het Disney-lettertype. „Ik speel met het idee van de kunstenaar als merk, als bedrijf. Daarom heb ik van mijn naam een logo gemaakt. En nu ik De Bueren heb, kan ik dat logo mooi op mijn eigen Disney-kasteeltje zetten.” Als kind al tekende hij eindeloos Disney’s dalmatiërs na. „Ik probeerde die honden altijd goed te krijgen. Ik dacht toen nog dat Disney één man was, en ik wilde net zo goed kunnen tekenen als hij. Het concept kunstenaar kende ik toen – ik was een jaar of zes – nog niet.”

Nu heeft Delvoye, net als Disney, zijn eigen studio met werknemers die zijn ontwerpen uitvoeren. Het atelier bevindt zich op tien minuten rijden van kasteel De Bueren, in een voormalig schoolgebouw in Gentbrugge. Een immense roestige poort, met daarin onder meer een parodie op het Warner Bros-logo en een Amerikaanse adelaar, verspert de toegang. ‘Lasciate ogni speranza, voi ch’intrate’, staat er in het cortenstaal geschreven, een spreuk uit Dantes Goddelijke Komedie: laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt.

„Alle taxichauffeurs in Gent kennen die poort”, vertelt Delvoye trots. „Als ik op het station aankom hoef ik alleen maar te zeggen: Studio Wim Delvoye. Er zijn zelfs rondleidingen langs mijn straat. Laatst liep ik in mijn slip naar het kantoor boven om een printje op te halen, stonden er opeens veertig toeristen voor de poort. Heel stilletjes heb ik de hoorn van de intercom opgenomen en toen hoorde ik de gids vertellen over mij. Dat was wel raar. Er zijn in België maar heel weinig kunstenaars die dat hebben bereikt.”

Die roem verwondert hem nog dagelijks, vertelt hij. „Niets van dit alles had ik me ingebeeld toen ik klein was. Natuurlijk hoopte ik dat ik ooit een groot kunstenaar zou worden. Als je achttien bent, betekent groot dat iedereen in het dorp je werk bewondert. Ik had toen geen idee hoe ver de horizon reikte. Nu betekent groot dat je veel mensen tewerk kunt stellen, dat je een enorme cashflow hebt, dat je altijd maar groeit. Ieder jaar moet je wel weer met een enorm project uitpakken, anders wordt het saai.”

In zijn meest recente werk komt dat groeiverhaal vrij letterlijk tot uitdrukking. Sinds een paar jaar werkt Delvoye aan een neogotische toren van cortenstaal die, als het aan de kunstenaar ligt, een flink eind richting de hemel moet gaan reiken. Het eerste deel, de negen meter hoge torenspits, werd vorig jaar tijdens de Biënnale van Venetië tentoongesteld op de kade voor het Guggenheim Museum: een waanzinnig fantasiebouwwerk vol spitsbogen en baldakijnen. Voor een expositie in het Parijse Musée Rodin was de toren dit voorjaar al met twee verdiepingen gegroeid tot een hoogte van twaalf meter. En deze maand is de toren opnieuw van onderaf uitgebreid voor een tentoonstelling in het Brusselse museum BOZAR, die toepasselijk de titel Knockin’ on Heaven’s Door draagt. Het gevaarte is nu zeventien meter hoog en weegt tienduizend kilo.

In Delvoyes atelier werken zeven mensen in stilte achter hun computers aan de voorbereidingen van die tentoonstelling. Een van hen, een jonge Roemeense, is heel geconcentreerd met haar muis de minuscule lijnen in een roosvenster aan het uittekenen. Achter haar staan schaalmodellen van de beelden die Delvoye in Brussel wil laten zien: een graafmachine die is opgebouwd uit honderden ragfijne neogotische ornamentjes, een beeld van Jezus aan het kruis dat als een wokkel gedraaid is, en een rubberen autoband die op zo’n fraaie manier met laserstralen bewerkt is dat hij eruitziet als eeuwenoud houtsnijwerk.

Hij houdt van ouderwets vakmanschap, zegt Delvoye, maar hij hoeft het niet zo nodig meer allemaal zelf te maken. „Op deze manier kan ik veel objectiever zijn. Stel je voor dat je maanden heb gezwoegd op zo’n ornamentje, dan kan je niet meer goed oordelen over je eigen werk. Ik kijk naar het werk van mijn medewerkers alsof het de tekeningen van andermans kinderen zijn, en zie precies wat er nog aan moet gebeuren. In de loop der jaren is mijn team steeds meer gespecialiseerd. Ik kan niet snel nog even iemand inhuren, want die heeft die expertise niet. Dat is misschien geen artistieke kwaliteit, maar ik vind het wel iets om trots op te zijn. Ik ben even fier op wat ik als werkgever bereikt heb als wat ik als kunstenaar doe.”

Natuurlijk is ook die plotse liefde voor de gotische kunst een provocatie, geeft de kunstenaar toe. Delvoye: „Volgens de postmodernistische spelregels heb ik mijn sporen verdiend met Cloaca. Kunsthistorici konden mooie lijnen trekken van de readymades van Marcel Duchamp via de ingeblikte poep van Piero Manzoni naar mijn werk. Dus je kunt zeggen: I’m in history. Maar nu ben ik op zoek naar een nieuwe manier om geschiedenis te schrijven. We leven alweer tien jaar in een nieuwe eeuw. Mensen raken niet meer gechoqueerd van stront of seks, maar wel van schoonheid. Dat is waar ik op gok. Dus zeg ik nu: Duchamp, kus mijn kloten. Geef mij maar Fabergé.”

Maar is hij niet bang dat hij zijn werk daarmee tot een gimmick reduceert? „Nee”, zegt Delvoye vastberaden. „Met dat gotische werk zal ik dat gevaar nooit lopen. Want het is verschrikkelijk moeilijk om te maken. Deze sculpturen kosten echt bloed, zweet en tranen. Vergelijk dat maar eens met wat andere kunstenaars doen. Die smijten wat dingen op de grond, vegen wat verf met een borstel op een doek, of houden een performance. Terwijl die gotische toren een echt artisanaal groepswerk is.

„Weet je, naar mijn idee is het type kunst dat in de twintigste eeuw werd gemaakt echt een doodlopende weg. Schilders als Picasso en Appel zeiden: ik heb mijn hele leven gewerkt om tot het niveau van een kind te geraken. Zij romantiseerden het primitivisme, kochten ter inspiratie Afrikaanse maskers op de markt in Parijs. Maar nu, in de nieuwe eeuw, is die voedingsbodem uitgedroogd. Naar mijn gevoel begint de hedendaagse kunst steeds meer te klinken als ‘sorry’. Zo van: ach, het is maar kunst. Al die saaie kunstvideo’s die moedwillig slecht gemaakt zijn. Daar kun je dertig jaar na Bruce Nauman toch niet meer mee aankomen?”

Om die reden omringt Delvoye zich het liefst met kunst uit vroeger tijden. Aan de wanden van zijn woonruimte, op de begane grond van het schoolgebouw, hangen schilderijen van zeventiende-eeuwse meesters als Guido Reni en José de Ribera. „Kijk dan hoe goed die mantel geschilderd is”, zegt Delvoye, wijzend op de Ribera. „Hoe uit zo’n bruine drab van verf toch licht lijkt te komen. Het is toch schandalig dat we dat nu niet meer zo kunnen maken?”

En het schandaligst van alles, vindt Delvoye, is wel dat die oude kunst veel goedkoper is dan de meeste hedendaagse kunstwerken. „Dat schilderij van Reni heb ik gekocht voor minder dan 50.000 euro. Dat is idioot, zeker als je weet dat een hedendaags schilderij van Peter Doig onlangs op een veiling 8 miljoen euro heeft opgebracht. Ik heb wel eens een eeuwenoud schilderij gekocht met drie van mijn eigen tekeningen. Onrechtvaardig vond ik dat, en beschamend.”

Zijn kasteel puilt inmiddels uit van de vele antieke meubelen die hij voor een prikje op veilingen heeft gekocht, vertelt Delvoye. „Ik kreeg een tennisarm van die veilingen, omdat ik voortdurend mijn bordje omhoog moest houden. Zo goedkoop was dat oude spul.” Hij schudt zijn hoofd nog maar eens om zijn ongeloof uit te drukken. „En dan heb ik het over handgemaakte kunstvoorwerpen uit de Middeleeuwen. Dat is toch verbijsterend?”

Wim Delvoye: ‘Knockin’on Heaven’s Door’. 20 okt t/m 23 jan in BOZAR, Ravensteinstraat 23, Brussel. De toren is nu al bij het museum te zien. Inl: www.bozar.be, www.wimdelvoye.be