En toen was er het woord

Waar komt de mens vandaan? Waarom wil de man de vrouw domineren? In vele culturen zijn er poëtische antwoorden op gegeven: ‘Het oneindige werd zwanger en schiep het eindige’.

Mineke Schipper: In het begin was er niemand. Hoe het komt dat er mensen zijn. Bert Bakker, 319 blz. € 24,95

Marita de Sterck: Stoute meisjes overal. Volksverhalen over liefde en lef. Standaard Uitgeverij, 295 blz. €19,95

Het geheim van de schepping is taal. Het bewijs daarvoor wordt gegeven in het nieuwste boek van emeritus hoogleraar interculturele literatuurwetenschap Mineke Schipper, In het begin was er niemand. Hierin trakteert Schipper ons op maar liefst 1.500 fascinerende scheppings- en oorsprongsverhalen die onze nimmer aflatende verbazing over ons raadselachtige begin weerspiegelen, maar vooral ook onze ongebreidelde fantasie.

Het is intrigerend te lezen dat de oudste van die verhalen waarschijnlijk teruggaan tot de paleolithische tijd (ongeveer 20.000 tot 8.000 jaar voor Christus). Kennelijk zit het diep in onze genen te willen weten waar we vandaan komen, wie onze (verre) voorouders waren, hoe het komt dat er mannen en vrouwen zijn en verschillende rassen en culturen.

En kennelijk kan de mens niet leven met onopgeloste mysteries, getuige niet alleen Schippers boek, maar ook het Darwinjaar (2009) en de opluchting toen recentelijk de grootse deeltjesversneller ter wereld alsnog bleek te werken. Na ‘waarom’ volgt uiteindelijk altijd een ‘daarom’. Uit chaos creëren wij orde. Tenminste, dat denken we.

Wat onmiddellijk opvalt aan In het begin was er niemand is Schippers zwerflust, verzameldrift, enthousiasme, ijver en nauwgezetheid die ze ook al toonde in haar internationale bestseller Trouw nooit een vrouw met grote voeten. De manier waarop ze haar rijke verzameling verhalen vanuit de hele wereld analyseert, interpreteert, samenvat en helder met elkaar verbindt, geven je het gevoel in een eindeloos museum rond te dwalen.

Ei, bloem, boomstronk

Op de begane grond zie je hoe na de chaos en duisternis, na de scheiding van hemel(god) en aard(godin) (Maori, Nieuw-Zeeland) de eerste mensen op verschillende manieren uit het niets of uit het iets – een ei, bloem, boomstronk, de hemel of aarde – kwamen. En als we niet direct uit ‘Moeder Aarde’ zijn gekomen, dan zijn we wel, zoals Adam, van haar substantie gemaakt: van stof, modder, klei of zand, met hulp van een of meer scheppende goden (dit zijn de letterlijke scheppingsverhalen), die ons daarna begiftigden met levensenergie, adem, de ziel of geest, zichtbaar in de ‘kwetsbare menselijke schaduw’, en vaak ook een vrije wil.

Dat de donkere, vochtige aarde een favoriet beginpunt is onder veel verschillende volken van alle continenten is begrijpelijk: het is de vruchtbare bron van alle leven, ‘de moeder van onze liederen, de moeder van ons zaad, […] de enige moeder die we bezitten’ (Kagaba, Colombia). Dat in de geografische werkelijkheid dit soort verhalen regelmatig tot het claimen van een (woon)plek en territoriale spanningen heeft geleid – autochtoon betekent letterlijk ‘uit de grond geboren’ – is een even treurig als onontkoombaar feit.

Op de eerste verdieping van Schippers museum is vervolgens de oorsprong van man en vrouw en het ontstaan van de sekseverschillen en hun onderlinge rivaliteit te zien. Zeer de moeite waard is om van daaruit een uitstapje te maken naar de aansluitende ‘verhalenexpositie’ Stoute meisjes overal van de Vlaamse (jeugd)auteur en cultureel antropoloog Marita de Sterck. Zij verzamelde en bundelde (per continent) zestig volksverhalen over liefde en lef – bloeiverhalen en groeiverhalen die de overgang markeren van meisje naar vrouw –, die bewijzen wat een onuitputtelijk inspiratiebron de rivaliteit van de seksen is gebleken.

Zo is er een mooi verhaal uit Togo waarin wordt verteld hoe de schepper te weten kwam wie het meeste zin in seks had. Nog steeds wordt veelal aangenomen dat de man het meest wellustig is en in veel (Roodkapje)verhalen (van China tot Frankrijk) lijkt dat beeld bevestigd door het onbeheerste gedrag van de naar seks hongerende wolf. Maar wie goed leest of luistert, weet beter. Meisjes laten zich graag bekijken. Meisjes verleiden. Meisjes verslinden. In Suriname laten ze zich bewust ontvoeren door reuzenslangen, in Brazilië door spuitende dolfijnen. In Ivoorkust lokken ze al dansend penissen uit een boom. En van Amerika tot Azië vertegenwoordigt de mythe van de vagina dentata een mannelijke nachtmerrie.

Waar die rivaliteit tussen man en vrouw vandaan komt, blijft natuurlijk gissen. Maar Schippers’ gedachte dat de man ooit compensatie wilde voor de pro-creatieve voorsprong en machtspositie van de barende vrouw, vervolgens het heft in handen nam en de vrouw letterlijk en figuurlijk in een ondergeschikte positie dwong (wie tijdens de gemeenschap bovenop mag, is een terugkerend thema in veel verhalen), is een interessante.

Behalve de noeste arbeid van Schipper en De Sterck en de grote verwantschap tussen alle culturen, valt op wat een poëtische zeggingskracht onze verre voorouders (al) hadden. Mooi klinkt bijvoorbeeld het uitgangspunt van de Noord- Amerikaanse Hopi Indianen: ‘Het oneindige werd zwanger en schiep het eindige’.

Hesiodus

Even mooi is de lach als levensvoorwaarde voor de mens in een Amerikaanse Apache-mythe. Ronduit modern is de gedachte van de Jaïns (India) dat de wereld ongeschapen is, ‘net als de tijd zelf, zonder begin en zonder eind’. En wat een mensenkennis toonde de Griekse dichter Hesiodus (tijdgenoot van Homeros) in zijn vertelling over de vijf opeenvolgende door Zeus geschapen mensenrassen: degenererend van het gouden naar het huidige ijzeren ras, dat bestaat uit ‘wrede, onrechtvaardige, slechte, asociale, wellustige, verderfelijke mensen’.

Maar, hoe wonderbaarlijk, poëtisch en herkenbaar al die (begin)verhalen ook zijn, wat er het meeste aan opvalt, is de macht die wordt toegekend aan het woord: bij uitstek een scheppende uiting. ‘Het Woord controleerde […] de atmosfeer, vertelt een Tanzaniaanse Pangwa-mythe. ‘Het Woord was een kracht die één ding in staat stelde te scheppen, maar je kon het Woord zelf niet zien’. En in het Johannes-evangelie zijn God en het Woord zelfs inwisselbaar: ‘In het begin was het Woord. Het Woord was bij God en het Woord was God. […] Alles is erdoor ontstaan’.

Toen al wisten we dat ons vermogen te communiceren uniek is: zonder taal geen verhaal, zonder taal geen schepping, verandering en ontwikkeling en geen overlevering. De invloed van die oeroude vertellingen, ook al zijn we ons daarvan nauwelijks nog bewust, is enorm: de vrouwonvriendelijke houding van het katholicisme, het feit dat linkshandigheid nog steeds is omgegeven door het odium van inferioriteit, zegswijzen als ‘moeder aarde’ en eenvoudige liedregels als ‘adem mijn adem’ vinden allemaal hun oorsprong in onze eerste vertellingen. ‘Ze laten onze voorouders in ons resoneren en ons voelen wie we zijn’, aldus De Sterck: de ‘homo narrans’, de vertellende mens, die van alle plaatsen en tijden is en het begin en geheim van onze schepping.