Eet écht eten, en niet te veel

Een wetenschapsjournalist uit Berkeley kwam precies op het juiste moment met een vuistdik, prachtig geschreven boek dat antwoord gaf op de vraag ‘waar komt ons eten vandaan?’

Een decennium geleden was biologisch voedsel een nichemarkt voor geitewollensokken. Hoewel de gekke koeienziekte en mond- en klauwzeer hadden geleid tot een zinloze slachting van talloze dieren, stelden alleen activisten het eten van vlees ter discussie. Het woord voedselkilometer bestond nog niet, een voedselcrisis leek in tijden van overvloed ondenkbaar. De voorraadkast was immers bodemloos, gemak diende de mens, het eten kwam als vanzelf overal vandaan, in kleurige doosjes. Er was nog steeds veel honger, maar dat was elders en was honger niet op zijn retour? Bovendien, konden we zelf maar eens afvallen! In 2007 waren er voor het eerst op aarde meer mensen dik dan ondervoed.

Wel verschenen er opeens boeken over een non-onderwerp als voedsel, en ze hadden nog succes ook. In 2000 was Eric Schlossers Fast Food Nation verschenen, over de gruwelijke omstandigheden voor mens en dier in de Amerikaanse vleesindustrie. Marion Nestle had in Food Politics (2003) een verband gelegd tussen de lobbypraktijken van de voedingsindustrie, lankmoedige wetgeving en overgewicht en suikerziekte. In eigen land schreef Louise Fresco Nieuwe spijswetten (2006), waarin ze pleitte voor matigheid en het erkennen van de waarde van eten. Maar deze boeken kwamen denkelijk net iets te vroeg en hun auteurs hadden niet de héle voedselketen in een aansprekend overzicht gevangen.

Maismoleculen

Dat deed Michael Pollan. Deze wetenschapsjournalist uit het Californische Berkeley, met een paar goed gerecenseerde, maar niet bijster succesvolle boeken over planten op zijn naam, publiceerde in 2006 The Omnivore’s Dilemma, The Search for a Perfect Meal in a Fast-Food World, een prachtig geschreven, vuistdik boek gebaseerd op de vraag ‘waar komt het eten op ons bord vandaan?’ Het staat sindsdien in de bestsellerlijst van The New York Times.

Het succes laat zich verklaren door Pollans stijl – hij schrijft zelfs spannend over maismoleculen – plus het feit dat hij verder gaat dan zijn voorgangers. In The Omnivore’s Dilemma ontrafelt hij letterlijk tot in vezels en moleculen de herkomst van drie maaltijden; een fastfoodmaaltijd, een grootschalig geproduceerde biologische maaltijd en een van a tot z zelf bijeengejaagd en verzameld maal, waarvoor hij onder meer een wild zwijn schiet. Het boek schittert in details: beschrijvingen van de scheikundige samenstelling van kunstmest, een lyrisch pleidooi voor glazen slachthuizen en een beschouwing over de McDonald’s kip McNugget (waarover hij poëtisch verzucht dat dit ‘de Madeleine van de toekomst’ is, naar het herinneringscakeje van Marcel Proust). Maar ook de grote lijn is helder: de samenhang tussen alle voedselproblemen onderling en vooral: tussen de voedselketen en de energievoorziening.

Met kunstmest opgekweekte maïs kan gelden als de grondstof van Amerika’s voedselketen, en de productie van kunstmest kost onevenredig veel energie – vijftig vaten olie voor een hectare maïs. Twee jaar later werd de relatie voedsel en energie alom duidelijker, toen de jacht op biobrandstof de voedselcrisis aanjoeg.

Al schrijft Pollan vrijwel exclusief over de Verenigde Staten, toch maakt zijn boek duidelijk dat het naoorlogse, industriële voedingsstelsel behalve voordelen (overvloedig, goedkoop, constant beschikbaar), ook grote nadelen heeft: ongezond, verspillend, schadelijk voor dier, milieu en klimaat, gevaarlijk wegens virussen.

The Omnivore’s Dilemma had grote invloed op de stapel boeken over eten die in de jaren daarna is verschenen. Met zijn pleidooi voor kleinschaligheid en ambachtelijkheid is het ook tekenend voor het westerse consumptiepatroon in de jaren negentig, waar de neerwaartse spiraal van anonieme massaproductie aan de bovenkant van de markt weer ruimte en respect schiep voor handmatige, ‘authentieke’ producten – met veel kookboeken en ambachtelijkheid bij de westerse elite tot gevolg, van chutney maken tot jagen in de vinexwijk.

Pollan zelf werd een begrip in kringen van gastronomen en ethische consumenten – kringen die in deze jaren steeds meer begonnen samen te vallen. Hij deed daar trouwens hard zijn best voor. In 2008 publiceerde hij In Defence of Food, een boze aanval op de voedingsindustrie, en in 2009 het nóg dunnere Food Rules, met daarin wederom de tot oneliners gereduceerde conclusies die zijn fans als mantra’s herhalen: ‘Eet echt eten [dat wil zeggen: niet uit zakjes, MS]. Niet te veel. Vooral planten.’ Of: ‘Eet minder, betaal meer’ (Ofwel: koop kwaliteit, dat is beter geproduceerd).

First Family

Ten tijde van de Amerikaanse presidentsverkiezingen publiceerde Pollan een open brief aan Obama over landbouwbeleid, waarna fans een lobby begonnen om hem minister van landbouw te maken. Dit wuifde Pollan weg, maar een lijntje met de First Family heeft hij wel: op zijn publieke aansporing begon Michelle Obama een moestuin bij het Witte Huis.

Bij sommigen, onder wie Louise Fresco, die Pollan in haar column in deze krant stevig aanviel toen hij in 2009 Nederland bezocht, wekte die goeroestatus ergernis. Dat neemt niet weg dat The Omnivore’s Dilemma een mijlpaal is in non-fictie. Niet alleen omdat het voedsel als onderwerp definitief op de kaart zette, maar ook omdat het, al vóór het debat over duurzame productie gemeengoed werd, liet zien dat het zaak is onze lineaire productieprocessen meer in overeenstemming te brengen met de circulaire, lokale efficiency van de natuur – wat iets anders is dan terug naar de jaren vijftig. Het verduurzamen en sluiten van productieketens is één van de uitdagingen van de 21ste eeuw.

Pollans boek bracht dit soort dingen onder de aandacht van een breed publiek. Dat hij de internationale dimensies van de voedselkwestie nauwelijks meenam en niet schreef over water of de economische kant van de zaak, zijn tekortkomingen die anderen (Paul Roberts met The End of Food , Raj Patel met Stuffed or Starved) hebben aangevuld. Voedsel staat als kwestie inmiddels nadrukkelijk op de kaart. De voorraadkast blijkt wel degelijk een bodem te hebben, beseffen we. Deze zomer is de graanoogst slecht, de prijzen schieten vaker de pan uit, het aantal hongerigen is allang weer groter dan het aantal obesen. Na de Q-koorts dook nu wél het woord vleestaks op in de kranten. Als we over vijftig jaar terugkijken op dit decennium als het kantelpunt in onze opvattingen over, en waardering van voedsel, dan is dat zeker ook de verdienste van The Omnivore’s Dilemma.

Pollan: The Omnivore’s Dilemma. Penguin,€ 23.