Een tragische held die alles onthield

Simon Wiesenthal werd betaald door de Mossad. Zo luidde het nieuws bij de lancering van diens nieuwe biografie. Naar nu blijkt biedt dit spannende boek feiten waarbij het Mossad-contact een futiel detail is.

Tom Segev: De nazi-jager. Het leven van Simon Wiesenthal. 1908-2005. Vert. Kees Meiling en Frans van Delft. Balans, 448 blz. € 30,-

Het nieuws was de verschijning van De nazi-jager. Het leven van Simon Wiesenthal vooruitgesneld. Vorige week al stond in verschillende kranten dat Simon Wiesenthal, de Oostenrijker die van de jacht op nationaal-socialistische oorlogsmisdadigers zijn levenswerk had gemaakt, door de Mossad was betaald. Ongetwijfeld hebben de schrijver, de Israëlische journalist Tom Segev, en zijn uitgeverij dit nieuws zelf in de wereld gebracht. Maar erg opzienbarend was het natuurlijk niet. Het zou opmerkelijker zijn geweest als uit Segevs onderzoek was gebleken dat Wiesenthal niet door de Mossad was betaald.

Het was al lang bekend dat Wiesenthal nauwe banden onderhield met Israël en de nieuwe joodse staat altijd te vuur en te zwaar verdedigde. Ook wist iedereen dat Wiesenthal betrokken was bij de beroemdste actie van de Israëlische geheime dienst: de ontvoering in 1960 van Adolf Eichmann uit Buenos Aires, de stad waar het logistieke brein achter de vernietiging van de Europese joden jarenlang onopgemerkt in een Volkswagenfabriek werkte.

Segev maakt in zijn biografie van Wiesenthal dan ook opmerkelijk weinig woorden vuil aan de betalingen van de Mossad. Minder dan een halve bladzijde wijdt hij er aan, iets meer dan aan de eerdere betalingen aan Wiesenthal door Amerikaanse joodse welzijnsorganisaties als de Joint Distribution Committee.

Schokkender zijn de details die Segev nog terloopser brengt dan de Mossad-betalingen. Zo meldt hij tussen neus en lippen door dat Wiesenthal in 1949 als geheim agent van Israël wist te voorkomen dat de Franse inlichtingendiensten voormalige nazi-officieren naar Syrië smokkelden. Hier is Segev wat al te summier: hij vermeldt alleen dat Syrië toen pro-Frans was, terwijl je zou willen weten wat de Fransen de ex-nazi’s daar wilden laten doen.

Ook bij andere kwesties legt Segev soms te weinig uit. Bovendien is hij geen begenadigd verteller en stilist. Het is alsof hij de biografie in grote haast heeft geschreven. Maar leven en werk van Wiesenthal zitten zo vol onwaarschijnlijkheden en smakelijke conflicten dat dit nauwelijks een bezwaar is: ook met deze gebreken leest De nazi-jager als een spannend boek over een tragische held.

Voor zijn biografie heeft Segev duizenden dossiers in veertien archieven doorgeploegd, waaronder dat van Wiesenthal zelf in Wenen. Nauwkeurig, maar niet chronologisch, vertelt hij hoe de in Linz geboren Wiesenthal in WO II vijf concentratiekampen overleeft en in 1945 door de Amerikanen wordt bevrijd uit Mauthausen, het Oostenrijkse kamp bij Linz met de beruchte steengroeve. Een van de eerste dingen die Wiesenthal na zijn bevrijding doet, is het opstellen van een lijst van 150 nazi’s en oorlogsmisdadigers. Dit was het begin van de verzameling gegevens over oorlogsmisdadigers waaraan de architect Wiesenthal de rest van zijn leven zou wijden.

Ondanks het ontzaglijke werk dat Segev heeft verzet, kan hij in sommige kwesties toch geen helderheid brengen. Wiesenthals leven als nazi-jager is van begin af aan gepaard gegaan met beschuldigingen van malversaties en bedrog. Dat werkte Wiesenthal zelf in de hand. In zijn boeken en autobiografieën vertelde hij steeds wisselende verhalen over zijn leven en zijn nazi-jacht, die het zijn tegenstanders gemakkelijk maakten om hem af te schilderen als charlatan. Soms moet Segev concluderen dat de waarheid niet meer te achterhalen valt, soms dat Wiesenthal inderdaad een onwaarheid vertelde. Zo beweerde hij aan het eind van zijn leven dat hij ook had vastgezeten in Auschwitz, het kamp dat synoniem werd met de Holocaust. Volgens Segev zat Wiesenthal wel in een trein die voor Auschwitz was bedoeld, maar is hij daar door een verkeerde koppeling van wagons nooit terechtgekomen.

Maar al had Wiesenthal een niet te onderdrukken neiging tot opscheppen, meestal had hij het volgens Segev bij het rechte eind. Zo bleef hij vanaf 1954 stug volhouden dat Eichmann in Argentinië zat, hoewel verschillende inlichtingendiensten meenden dat hij in Koeweit verbleef.

Ook Wiesenthals chaotische werkwijze heeft het Segev lastig gemaakt om de waarheid vast te stellen. Niet systematisch onderzoek, maar briljante ingevingen en vooral toeval, zoals informatie van mensen die hij op zijn talloze reizen ontmoette, speelden een belangrijke rol in zijn werk. Grootste wapen was zijn fenomenale geheugen dat hem in staat stelde toevallig verkregen informatie te koppelen aan de gegevens in zijn alsmaar uitdijende archief.

Volharding was zijn andere wapen. Hoewel Wiesenthal was betrokken bij successen als de berechting van Eichmann, liep menige naspeuring op niets uit. Niet alleen Duitsland en Oostenrijk, maar ook de VS en zelfs Israël bleken weinig geïnteresseerd in de vervolging van oorlogsmisdadigers. Als Wiesenthal er desondanks in slaagde een SS’er voor het gerecht te krijgen, dan volgde vaak vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. ‘De stomste nazi’s waren degenen die na de ineenstorting van het Derde Rijk zelfmoord pleegden’, zei Wiesenthal eens bitter.

Dat Wiesenthal de nazi-jacht volhield, heeft te maken met de rol die hij in de loop der jaren kreeg. Hij groeide in de jaren zestig uit tot het morele geweten van de westerse wereld dat de herinnering aan de Holocaust levend hield. Wiesenthal had een brede opvatting over de Holocaust, die volgens hem niet zes, maar elf miljoen slachtoffers telde. De Holocaust was niet iets exclusief joods, vond hij, maar een misdaad tegen de hele mensheid en omvatte ook de massamoord op zigeuners, homoseksuelen en Jehova’s getuigen.

Bij de Holocaust was voor Wiesenthal ook geen sprake van collectieve schuld. Oorlogsmisdaden werden gepleegd door individuen, niet door volkeren, vond hij. En die individuen waren heel gewone mensen, zo stelde hij vast toen hij Eichmann in Israël zag en hoorde. Net als de Amerikaanse filosofe Hannah Arendt zag hij in Eichmann ‘de banaliteit van het kwaad’. Maar hierin vergiste de tragische held Wiesenthal zich volgens Segev toch schromelijk. Herhaaldelijk betoogt hij in De nazi-jager dat oorlogsmisdadigers als Eichmann niet de gewone, gehoorzame Befehl-ist-Befehl-mensen waren die ze zeiden te zijn, maar mannen met een missie, ideologisch bevlogen nationaal-socialisten: ‘Eichmann handelde niet uit een blinde gehoorzaamheid. Hij deed wat hij juist achtte te doen.’