Een gevoelloze loods leidt u dwars door vele catastrofes

Sophie Zijlstra: Potifars vrouw. Querido, 192 blz. € 16,95

Hoeveel pech kan een mens hebben? Heel veel. Sophie Zijlstra laat dat zien in Potifars vrouw, haar tweede roman. Hoofdpersoon Mendel Waterman, een Rotterdamse kunstverzamelaar en restaurateur, verliest in de oorlog zijn vrouw en kind. Vervolgens moet hij toezien hoe ook de tweede vrouw op wie hij verliefd raakt naar Auschwitz wordt gedeporteerd met haar kind. Zelf weet hij Theresiënstadt te overleven.

Na de bevrijding keert hij terug naar Nederland, waar hem nieuwe problemen wachten. Een jaar cel nadat hij in een vlaag van verstandsverbijstering de verkeerde man heeft geslagen. Ontslag als hoogleraar in de kunstgeschiedenis omdat zijn jaloerse collega’s hem geen relatie gunnen met een studente. Door een samenloop van omstandigheden belandt hij in de trein die in 1977 door Molukse actievoerders wordt stopgezet in de buurt van De Punt. De treinkapers kiezen hem als eerste slachtoffer.

Zijlstra’s aanpak is voor een deel historisch. Zij werkt met bestaande figuren en feiten, waar zij een verhaal bij verzint. Voor haar eerste boek, Mevrouw Couperus (2007), baseerde zij zich op een episode uit het leven van Elisabeth Baud, de vrouw van Couperus. Een korte ziektegeschiedenis, een tijdelijke verlamming die met hypnose bestreden werd, werkte zij uit tot een tragikomische roman.

Bij Potifars vrouw ging ze uit van een aantal tragische gebeurtenissen: de pogroms in Oost-Europa, de jodenvervolging door de nazi’s, het bombardement op Rotterdam en de nawerking van WO II voor de Molukkers in Nederland. Ze bedacht er een man bij die al die rampen moest ondergaan. Een man met een smartelijk leven vol tegenslag en vernedering, antisemitische pesterij en afpersing, verdriet en rouw. Geen wonder dat Mendel vlak na de oorlog aan ‘woede en verbittering’ ten prooi heet te zijn.

Maar het gekke is dat nergens iets blijkt van al die boosheid, of van verdriet of eenzaamheid. Hij is en blijft een vage figuur zonder herkenbare gevoelens en eigenschappen. Anders dan mevrouw Couperus, die met veel inleving en sympathie gekarakteriseerd werd, is Mendel niet veel meer dan een proefkonijn. Er gebeurt wel van alles met hem en om hem heen, maar hij komt niet tot leven.

Dat is het grote minpunt van deze roman. Zijlstra loodst ons door catastrofes heen zonder aan de gebeurtenissen een eigen draai te geven. Het is meer beschouwing dan verbeelding, meer bewering dan eigen schepping. Het is heel erg, dat antisemitisme, die verraderspraktijken, die deportaties, die treinkaping, maar het verhaal, op vlakke, zakelijke toon verteld, blijft steken aan de buitenkant, en in de nodige clichés, zonder medelijden of afgrijzen te wekken.

Neem bijvoorbeeld de doortrapte figuur Clemens Groot, die zich tijdens de oorlog op allerlei manieren verrijkt ten koste van argeloze Rotterdamse joden. Hij wordt ons zonder omwegen voorgesteld als een katholieke gluiperd, ‘een vuile rat’, die niets anders doet dan liegen en bedriegen. Een man, hoe kan het ook anders, met een heel fout gevoel voor humor: ‘Hij zag overal de grap van in, zonder dat hij ooit besefte dat het merendeel van de mensheid de dingen die hij juist zo grappig vond, als dieptriest ervoer.’ Hij wordt zo zwart afgeschilderd dat hij als romanfiguur al even weinig gewicht in de schaal legt als Mendel, zijn grootste slachtoffer.

Mendel krijgt in Potifars vrouw de rol toebedeeld van de deemoedige Jozef, de man met de afgerukte rode mantel, zoals we hem kennen van het gelijknamige schilderij van Rembrandt. Naar dit bijbelse tafereel wordt in het boek steeds weer verwezen: Potifars vrouw beschuldigt Jozef van aanranding, met alle akelige gevolgen van dien, terwijl hij niets heeft misdaan. Zoals Rembrandt het schilderde, zo heeft Zijlstra het willen beschrijven. Jammer alleen dat haar Jozef maar niet uit de verf wil komen.