De winkel gaat niet dicht

Zo’n drie jaar geleden, in een vliegtuig op weg naar Afghanistan, keken sommige passagiers uit het raampje naar de imposante toppen van het Hindu Kush-gebergte. Anderen sliepen, luisterden naar muziek of lazen wat, vooral over het land van bestemming en de bloedige oorlog die er al zo lang woedt. Maar Peter van Uhm, destijds commandant van de landmacht, las een boek over Afrika.

Waarom Afrika? Als de politiek besluit dat we daar aan een missie gaan deelnemen, zei hij, dan moet je voorbereid zijn.

Een jaar later maakten zestig Nederlandse militairen in het zuidoosten van Tsjaad, bij de grens met de Soedanese regio Darfur, deel uit van een bescheiden vredesmissie van de Europese Unie. Het waren mariniers, geen landmachtmilitairen. Maar Van Uhm was inmiddels gepromoveerd tot bevelhebber van de hele krijgsmacht en zijn voorbereiding was dus niet voor niets geweest.

Wat zouden onze militaire leiders nú lezen? De missie in Uruzgan is deze zomer officieel beëindigd. Het commando is overgedragen aan de Amerikanen, het Nederlandse materieel wordt teruggehaald en de laatste militairen zullen voor het eind van het jaar weer thuis zijn. En dan?

Internationaal bestaat er grote waardering voor de manier waarop de militairen zich van hun moeilijke taak hebben gekweten. Maar straks zit al die ervaring weer op de Veluwe, terwijl de oorlog voor de andere NAVO-landen voortduurt.

Het zal vast niet lang duren voor er weer een beroep op de Nederlandse militairen wordt gedaan. Misschien niet meteen weer voor Afghanistan, maar er zijn nog meer conflicthaarden en spanningsgebieden waar militaire stabilisatiemissies een Nederlandse bijdrage goed kunnen gebruiken. Nederland kan meer doen dan de huidige missies in Bosnië en voor de kust van Oost-Afrika voortzetten.

Na vier jaar in Afghanistan zullen de strijdkrachten wel enige tijd nodig hebben om weer helemaal op krachten te komen en te trainen voor een ander soort missies dan die in Uruzgan. Ook moet het tot op de draad versleten materieel weer worden opgelapt. Dat kost alles bij elkaar zo’n twee jaar, schatte luitenant-generaal Rob Bertholee, de huidige Commandant Landstrijdkrachten, gisteren in een interview met de Volkskrant.

Maar hij zei ook: „De winkel gaat niet dicht.” En dat mag niet verbazen. Want als Den Haag gaat bezuinigen, is een gesloten winkel een makkelijk doelwit. Terwijl een strijdmacht die zich alweer opmaakt voor nieuwe missies natuurlijk wat mag kosten. Dus de winkel is open, het is maar dat de troepenafnemers van de NAVO, de Europese Unie en de Verenigde Naties, het weten.

Gisteren werd alvast bekend dat Nederland per 1 januari volgend jaar 1.200 militairen zal leveren voor de snelle interventiemacht van de Europese Unie. De manschappen worden, zoals gebruikelijk is in het roulatiesysteem van de EU, beschikbaar gesteld voor een half jaar. In die periode krijgt Nederland de leiding van de zogeheten Battlegroup van ongeveer 2.350 man, waaraan verder Duitsland, Oostenrijk, Finland en Litouwen deelnemen.

Zo’n Battlegroup moet permanent paraat zijn om snel uit te rukken, bijvoorbeeld om een missie van de Verenigde Naties bij te staan. „Ze kunnen worden ingezet voor evacuatieoperaties en humanitaire ondersteuning”, schrijven de ministers Van Middelkoop en Verhagen in een brief aan de Tweede Kamer, „maar ook voor conflictpreventie en crisisbeheersingsoperaties in de beginfase. Zonodig wordt gewapenderhand toegang tot een gebied verkregen.”

Het zijn geen acties van het kaliber Uruzgan. En ook al klinkt de laatste zin nogal martiaal, voordat deze eenheid ingezet kan worden, moet er wel eerst overeenstemming over zijn bereikt tussen de lidstaten van de Europese Unie. Een rustig verblijf in de kazernes is daarom waarschijnlijker dan een enerverende kennismaking met een nieuw slagveld.

Maar ook voor het zwaardere militaire werk zal weer een beroep op Nederland worden gedaan. En dan is het niet genoeg dat Bertholee zegt dat de winkel openblijft. Dan moet er ook politieke steun zijn voor nieuwe operaties, in bijvoorbeeld Afrika. En dan moet opnieuw geprobeerd worden de publieke opinie te overtuigen van de zin van zo’n missie – wat met Afghanistan nooit goed gelukt is.

Dus niet alleen de militaire leiding moet zich voorbereiden op nieuwe taken voor de krijgsmacht na de jaren in Afghanistan. Ook de politiek zou dat moeten doen. En niet alleen omdat het moet passen binnen de bezuinigingen waarover nu in Den Haag moeilijke afwegingen worden gemaakt.

Want het gaat om meer dan geld. Het gaat ook om wat voor rol Nederland wil spelen in de internationale vredeshandhaving, en op welk niveau. Hoe ambitieus wil Nederland in dat opzicht blijven? Een land onderhoudt een kostbare krijgsmacht niet om die veilig thuis te houden, maar wat doe je er wel mee?

Vier jaar lang hebben de Nederlandse militairen en hun politieke bazen meegedraaid in de machinerie van de NAVO. Als zou worden gekozen voor grootschalige deelname aan een missie van de Verenigde Naties, waar een hele andere militaire en politieke cultuur heerst, zou dat een grote omschakeling vergen. Dat is niet onmogelijk, en Nederland heeft vaker blauwhelmen geleverd (zij het zoals sinds Srebrenica bekend is niet altijd met succes). Maar het vraagt wel een serieuze afweging van de toekomstige regering en het parlement.

De bewindslieden die later deze maand naar New York vliegen voor de opening van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zouden er goed aan doen daar over na te denken als ze uit het raampje kijken. Ze zouden ook een boek kunnen meenemen over Congo of Soedan.

Reageren kan via nrc.nl/eijsvoogel