De psychose van een puber

Esther Gerritsen. Foto Joyce van Belkom Nederland, Amsterdam, 13-05-2008 Esther Gerritsen. Auteur van De kleine miezerige god. Foto: Joyce van Belkom Joyce van Belkom

Esther Gerritsen: Superduif. De Geus, 189 blz. € 18,90

De hoofdpersoon van Superduif, Esther Gerritsens zesde roman, is een dertienjarig meisje, Bonnie, dat bij tijd en wijle verandert in een mensgrote duif. Het ligt voor de hand in dit thema de zoveelste variatie te zien op Franz Kafka’s verhaal De gedaanteverwisseling, maar het doet Gerritsen tekort in haar beklemmende tragedie alleen een herbeleving te zien van de nachtmerrie van Gregor Samsa, die bij het ontwaken ontdekt dat hij in mensgrote kever is veranderd.

Aan verwijzingen naar Kafka ontbreekt het niet. Toch komen de identiteitsvragen waar Bonnie mee worstelt volkomen authentiek over. Met de transformatie die pubermeisjes rond hun dertiende ondergaan, hebben haar periodieke gedaanteverwisselingen weinig te maken, want uit de beschrijvingen die ze van zichzelf geeft, blijkt dat ze al volwassen borsten heeft. De pijnen die ze in haar schouderbladen voelt als de transformatie zich voltrekt en de vleugels uit haar lijf scheuren, zijn dan ook geen groeipijnen.

De pijn van Bonnie is de benauwenis in haar hoofd, waar alle hoofdpersonen in de romans en toneelstukken van Esther Gerritsen last van hebben. Niet voor niets heeft zij naam gemaakt als chroniqueur van de gekte. Zoals zoveel hypergevoelige of tot depressie geneigde mensen, kunnen haar in zichzelf opgesloten personages niet tegen verandering. Bonnie huilt en gilt iedere dag bij het wakker worden. Al op de eerste bladzij van Superduif wordt duidelijk wat haar mankeert. ‘Ik werd wakker en ik kon het niet. Zo zei ik dat tegen mijn moeder: Ik kan het niet. Want als je moeder ’s ochtends voorzichtig je slaapkamerdeur opent en goedemorgen zegt, dan zeg je niet: Mamma, ik wil liever dood dan opstaan.’

Op Bonnies ouders, vertalers van poëzie en fictie, is weinig aan te merken. Behalve dan dat ze hun kind dwingen om met hen samen te leven, zich aan hun normen aan te passen en vooral normáál te zijn, zoals de ouders van Gregor dat van hun zoon verlangden. Op een dag springt Bonnie over het tuinhekje van haar ouderlijk huis in Haarlem, een hekje dat alleen een symbolische begrenzing van het benauwde gezinsleven is en niet bedoeld is voor een fysieke afsluiting of opsluiting. Ze stapt altijd over het hekje heen, maar deze keer lijkt het of ze een paar seconden zweeft. Het is een sensatie die ze niet kan uitleggen aan haar ouders, die alleen maar bang zijn dat hun dochter gek is. De volgende stap is haar geheime transformatie tot duif.

Bij de verdere afwikkeling van dit verhaal, moest ik niet alleen aan Gregor Samsa denken, maar vooral aan Gerritsens eerdere romans en haar toneelstukken Paard en De kopvoeter. In Paard verandert de heldin nog net niet in een paard maar identificeert ze zich wel volledig met dit dier; het vrouwelijke personage in De kopvoeter koestert een geheim dat vergelijkbaar is met dat van Bonnie. Het verschil is dat Bonnie te maken krijgt met een vriendinnetje dat haar al haar geheimen ontfutselt: haar obsessie met de Tweede Wereldoorlog, haar reddingsfantasieën en haar hang naar heldendom. Bonnie is namelijk geen gewone duif, ze is, met een verwijzing naar Superman, een Superduif, een heldin, die haar vliegkunst gebruikt om anderen voor ongeluk te behoeden.

Haar vriendin, in alle opzichten een normaal, aangepast en populair meisje, adviseert Bonnie haar verborgen duivenbestaan openbaar te maken. Net als de ouders van Gregor Samsa zijn die van Bonnie echter fel tegen een ‘coming out’, want zodra je naar buiten komt met je gekte is die gekte een feit. Ontkennen en laten overwaaien, lijkt hun het beste.

Van verre voel je aankomen dat geen van beide opties – meegaan in de gekte of ontkenning ervan – zal helpen. Bonnie zal eindigen in een inrichting, of doen wat ze uit plichtsbesef of liefde heeft nagelaten. De laatste zin in Superduif komt, ondanks de aankondiging ervan op de eerste bladzij, aan als een mokerslag. Hoewel Superduif een nogal eendimensionaal verhaal is, waarin de puberale woordkeuze soms een storende factor is, is de nuchtere, althans weinig poëtische, verteltrant effectief. Het is geen geringe prestatie om een psychose van binnenuit te beschrijven en de lezer daarin mee te sleuren. Stilistisch is ze geen hoogvlieger, om haar humor staat ze niet bekend, maar wat Gerritsen hier met bescheiden middelen weet op te roepen is meer dan huiveringwekkend. Om doodsbang van te worden.